Zandscheppen in de woestijn

Helemaal ondraaglijk is het leven in Afghanistan niet geworden. Dat zeggen vrouwen die er leven. `Voordat de Talibaan kwamen, waren we ons leven niet zeker.' Maar blijft dat ook zo? `De Talibaan koppelen steeds vaker religieus fanatisme aan etnisch nationalisme.'

Elke ochtend om half vijf staat hij op. Dan is het nog rustig en koel in huis, en heeft hij de gelegenheid om op zijn gemak te lezen. ,,Ik bestudeer de Koran'', zegt hij ernstig. ,,Dat doe ik al mijn hele leven.'' Elke dag een stukje. ,,En steeds weer leer ik nieuwe dingen en krijg ik een dieper inzicht in de woorden van de profeet.''

Als om een uur of zes de eerste zonnestralen aan de horizon verschijnen, en in Kandahar, in het zuidwesten van Afghanistan, de straathandel op gang komt en de boeren van de vruchtbare vallei hun akkers en druivengaarden opzoeken om nieuwe watergeulen te graven, is hij al naar de buurtmoskee geweest. Trouw bidt hij vijf keer per etmaal – samen met zijn geloofsgenoten of alleen op zijn kamer of in zijn ommuurde tuin met fruitbomen en bloemen. Als hij op reis is, spreidt hij zijn gebedskleedje uit langs de kant van de weg. Niemand die daarvan opkijkt. Er is waarschijnlijk geen land in de wereld waar de bevolking haar devotie zo openlijk tentoonspreidt als Afghanistan.

Hij toont een pasfoto van zichzelf: een veertiger met een gladgeschoren gezicht. Die foto is enkele jaren geleden gemaakt in Peshawar, de hoofdstad van de Pakistaanse North-West Frontier Province, waar hij als vluchteling verbleef. ,,Ik schoor me toen dagelijks'', zegt hij. ,,Toen ik hier kwam, spraken de Talibaan mij daarop aan. Ze zeiden: goede moslims laten hun baard staan. Dat doe ik dus maar.'' Een brede glimlach verschijnt op zijn gezicht: ,,Met het geld dat ik nu aan scheermesjes uitspaar, koop ik misschien wel een auto.''

Welkom in het `Islamitische Emiraat Afghanistan', het door droogte, honger en oorlogsgweld geteisterde land van de Talibaan, waar honderdduizenden mensen van huis en haard zijn verdreven. Welkom in het land waar mannen hun baarden moeten laten staan en dringend wordt aangeraden een tulband te dragen, waar vrouwen alleen volledig gesluierd over straat mogen gaan, niet buitenshuis mogen werken en waar meisjes niet naar school kunnen.

Welkom in het bijzonder in Kandahar, het hartland van de Pathanen, de bevolkingsgroep in Afghanistan waartoe de Talibaan behoren. Hier begonnen de uit het lompenproletariaat van de Afghaanse vluchtelingenkampen in Pakistan gerekruteerde `Koranstudenten' in 1994 hun opmars naar het noorden. Met hun fatwa's, religieuze decreten, hebben de Talibaan het openbare leven in verlichte steden als Herat en Kabul ingrijpend aan banden gelegd. Maar op het achtergebleven, paternalistisch ingestelde platteland, zoals in de omgeving van Kandahar, is niet zo heel veel veranderd. Daar gingen de meeste meisjes toch niet naar school en hadden vrouwen toch geen baan, volgens het traditionele principe dat de vrouwelijke eer het best bewaard blijft in de strikte beslotenheid van de ouderlijke of echtelijke woning.

,,In Kabul en ook hier waren we de vrijheid gewend. Voor de inval in 1979 van de Sovjet-Unie was er een bloeiend cultureel leven en hadden we kennis gemaakt met de moderne tijd'', zegt een inwoner van Herat dat in de jaren zeventig een bedevaartsoord was voor hippies uit het Westen. ,,Daarom ervaren wij de aanwezigheid van de religieuze politie hier als veel klemmender dan in het zuiden'', zegt hij. Zijn broer is naar Pakistan uitgeweken. Die had rechten gestudeerd. ,,U kunt zich voorstellen dat een land waar de sharía (de islamitische wetgeving) van kracht is, geen behoefte meer heeft aan geschoolde juristen.''

De 21-jarige Shukria heeft de middelbare school in Jalabad gevolgd. Zij was derdejaars studente aan de juridische faculteit van de Universiteit van Kabul toen de Talibaan in september 1996 Kabul binnentrokken. Haar vriendin Zakia studeerde literatuur en onderwijs aan dezelfde universiteit. Maar omdat de Talibaan de universiteit onmiddellijk sloten voor vrouwen, moesten ze hun studie opgeven. Ze geven nu les aan een `thuisschool' voor meisjes van vijf tot vijftien jaar, op een geheim adres in een buitenwijk van Kabul. Ze hebben ongeveer tweehonderd leerlingen, verdeeld over zes klassen. Sommigen krijgen 's ochtends les, anderen 's avonds. ,,We hanteren verschillende tijden om niet op te vallen'', vertellen de twee vrouwen. ,,Het mag niet, maar we doen voorzichtig en we zorgen ervoor dat de kinderen zich gedisciplineerd gedragen als ze komen en gaan.''

Shukria en Zakia zullen hun gezicht opnieuw achter een blauwe burqa bedekken als ze zich weer op straat begeven. Leuk vinden ze die allesbedekkende kleding niet, zeggen ze. ,,Maar nu kunnen wij gaan en staan waar we willen zonder te worden lastig gevallen. Voordat de Talibaan kwamen, waren we ons leven niet zeker. Toen waren vrouwen vogelvrij en werden ze verkracht en vermoord. Toen durfde ik mij nauwelijks in het openbaar te vertonen'', zegt Shukria.

Luciferhoutjes

Voordat de Talibaan kwamen, was Afghanistan in de greep van de mujahedeen, de islamitische strijdgroepen die in de Koude Oorlog een heroïsche strijd uitvochten met de Sovjet-bezetters. Maar nadat de communistische bezetters in 1989 waren verdreven en het Afghaanse bewind van de beruchte president Najibullah in 1992 was gevallen, gingen ze een smerige oorlog tegen elkaar voeren. Zwaarbewapende milities trokken brandschattend door het land, tienduizenden onschuldige burgers kwamen om het leven en de mensenrechten werden op grote schaal geschonden.

,,Dit is allemaal het werk geweest van de mujahedeen'', zegt een inwoner van Kabul als we door de zwaar gehavende hoofdstad rijden. In de stad staat vrijwel geen gebouw of huis meer overeind, het resultaat van jarenlange artillerie- en raketbeschietingen door de legers van de krijgsheren Massood, Hekmatyar en Dostum. Elektriciteitsmasten hangen als afgeknapte luciferhoutjes boven de boulevard. En zwartgeblakerde karkassen van tientallen trolleybussen die vroeger door Kabul reden bevolken de parkeerplaats. ,,Dit hebben de Talibaan niet gedaan. Zij hebben hun tegenstanders stelselmatig ontwapend en daardoor hebben ze gezorgd voor veiligheid en stabiliteit. Dat is hun verdienste.''

Even buiten Herat, in het westen van Afghanistan aan de weg naar Iran, ligt het douanekantoor. Er staan vrachtwagens omheen, de meeste voorzien van nummerbord met `UAE. Export'. Tweedehands Mercedessen met hun oorspronkelijke Duitse firmanamen nog op de cabines, die via de Verenigde Arabische Emiraten in handen zijn gekomen van Afghaanse en Pakistaanse transporteurs. Ze torsen hoog opgestapelde ladingen met zich mee: banden, voedsel, huishoudelijke artikelen en dozen met onduidelijke inhoud. Veel goederen, afkomstig uit Iran, hebben Pakistan als eindbestemming. Maar voordat ze daar aankomen moeten de chauffeurs tol betalen. ,,De Talibaan verdienen enorm aan de smokkel. De tolheffingen zijn voor hen een belangrijke inkomstenbron. Maar de situatie is veel beter dan onder de mujahedeen. Toen werd je om de tien kilometer opgewacht door de militiepost, en mocht je blij zijn dat je ervan afkwam met de betaling van een som geld'', zegt een Afghaan, die in de jaren zeventig met zijn personenauto in een dag van Kabul naar Herat kon rijden. 's Ochtends heel vroeg weg, 's middags lunchen in Kandahar en 's avonds laat in Herat. ,,Nu doe ik daar minstens twee dagen over als ik geluk heb.''

De wegen in Afghanistan symboliseren het falen van de Talibaan. Reizen is relatief veilig geworden, maar met religieus fanatisme alleen bouw je niets op van een land dat in vijftien jaar burgeroorlog tot de grond toe is afgebroken. In het steppenlandschap treffen we kapotte bruggen en de verroeste wrakstukken van tanks, pantservoertuigen en gevechtsvliegtuigen in de heuvels. Stuk voor stuk plekken waar vroeger de Sovjet-bases waren of veldslagen werden uitgevochten.

Schop

Op een half uur rijden buiten Herat, richting Kandahar, ligt een man langs de weg. Eenmaal dichterbij richt hij zijn hoofd op. Hij steekt een hand omhoog, waarna er opeens een jongetje op duikt. Die pakt snel een schop om wat zand in een diepe kuil in het wegdek te gooien. Maar de wind blaast het weg, het gat blijft diep. Dat beeld herhaalt zich urenlang. Honderden kinderen, jongetjes en meisjes, soms bijgestaan door een ouder iemand, scheppen zand uit de woestijn langs de weg tussen Herat en Kandahar, en een paar dagen later ook langs de route van Kandahar naar Kabul. Ze rennen op de auto af als een chauffeur geldt uit het open raam gooit. Maar nog vaker schreeuwen ze. Want je kunt nu eenmaal niet bij elk gat met biljetten blijven strooien.

Dit zijn misschien wel de ongelukkigste kinderen van Afghanistan. Of zijn dat de huilende kinderen in de vluchtelingenkampen bij Herat of de kinderen naast de uitgedroogde rivierbedding in de buurt van Kandahar, die evenmin genoeg te eten hebben? ,,Ze horen niet langs de kant van de weg te bedelen of te werken. Ze moeten op school zitten. Maar in hun hele leven hebben ze nog nooit een normaal bestaan gekend. Net zoals ook de meeste oudere Afghanen nauwelijks nog herinneringen hebben aan een tijd zonder oorlog en tegenspoed'', zegt een vriendelijke bejaarde man met een lange witte baard in Kandahar.

Een poort met een verveloze, houten deur aan een ongeasfalteerd zijsteegje in het centrum van de stad geeft toegang tot een kleine binnenplaats. Zes koeien en een paar kalveren staan aangelijnd naast twee mesthopen. De plek wordt omsloten door gebouwen van twee verdiepingen. Een nauw kronkeltrapje voert ons naar de bovenste galerij. Daar zit een vijftigtal jongetjes op de betonnen vloer, met beduimelde schoolboekjes voor zich. Ze krijgen les van de oude man. Hij zegt: ,,Ik ben zeventig jaar en ik doe dit onbetaald. Omdat ik het niet kan hebben dat deze kinderen hun tijd verspillen op straat. Zelfs voor jongens zijn er niet genoeg scholen.'' De jongens lezen de Koran, maar krijgen ook vakken als taal en rekenen, aardrijkskunde, natuurkunde en geschiedenis. Wat leren ze dan? ,,De goede kanten van Afghanistan, maar ook de slechte kanten'', antwoordt hij met een berustende glimlach. ,,Ik weet dat de huisvesting hier allerberoerdst is. We hebben geen geld om een fatsoenlijke school te bouwen. Maar het overdragen van kennis is belangrijker. Zolang dat kan, gaan we door.''

Buiten, in een drukke winkelstraat waar koetsjes en tractoren met karren zich een weg banen langs de ambachtelijke werkplaatsen en open stalletjes met groente, vlees, gedroogde noten, ijzerwaren en houten meubeltjes, spelen kinderen. Ze hebben een muis gevangen die probeert weg te komen. Maar elke keer trekken ze haar terug aan een touwtje dat aan de staart is vastgebonden.

In dezelfde winkelstraat slenteren ook volwassenen. Ze zoeken een baantje. Maar betaald werk is schaars in Afghanistan. ,,,Deze streek is beroemd om zijn druiven. Vroeger werden die over de hele wereld geëxporteerd'', zegt een inwoner van Kandahar. Hij stopt mij een pakje druivensap in handen. Afkomstig uit Iran, staat op het etiket. Hetzelfde staat op een fles cola. ,,Zelfs onze eigen voedselproducten kunnen we niet meer verwerken. Vroeger voelden we ons superieur aan Iran. Nu spiegelen we ons aan dat land en kopen het liefst Iraanse producten omdat wij dan weten dat die goed zijn.''

Krijgsbendes

,,Ze zullen het misschien niet hardop zeggen, maar de handelaren en winkeliers zijn tevreden met de Talibaan. En ook de vrachtwagenchauffeurs. Ze kunnen nu veilig zaken doen zonder bang te zijn voor berovingen of afpersingen door allerlei krijgsbendes'', zegt een inwoner van Herat. Op de onverharde weg langs de bazaars waait het stof hoog op. Groepjes wegarbeiders asfalteren een trottoir: ze worden betaald door buitenlandse hulporganisaties. Schuin tegenover het ziekenhuis hebben de Talibaan het gebouw van de vroegere bioscoop opgeblazen. Even verderop staan tientallen auto's geparkeerd onder de bomen van een park. ,,Ook in moeilijke omstandigheden blijft de handel doorgaan. En de boeren blijven hun velden bewerken op dezelfde manier als hun voorouders deden. Maar voor het overige kun je in dit land niet spreken van een economie'', antwoordt hij op de vraag waarom in Afghanistan geen fabrieken zijn te zien.

Mullah Abdul Manan Niazi wordt omringd door een twintigtal medewerkers en lijfwachten die naast hem op de vloer zitten. Hij heet zijn bezoeker hartelijk welkom. Ja, de gouverneur van Kabul kent de kritiek dat de religieus fanatieke maar nauwelijks geschoolde Talibaan niet over de capaciteiten beschikken om een land te besturen, en daarvoor eigenlijk ook geen belangstelling hebben. Maar hij meent dat zij dat stigma ten onrechte opgeplakt krijgen. ,,Afghanistan zat vol wapens en het land werd volledig verwoest. Wij hebben de strijdgroepen ontwapend, en een einde gemaakt aan de verdeeldheid en het lijden van het volk. Dat was de eerste stap op weg naar ontwikkeling. Nu zullen we de economie activeren en Afghanistan zelfvoorzienend maken. Dankzij onze gunstige ligging en onze rijkdom aan mineralen, zullen we vanzelf een welvarend land worden als er vrede aanbreekt.''

Maar dat laatste is nu juist het grote probleem, zegt de gouverneur, verwijzend naar de (door de Verenigde Naties gesteunde) alliantie van oppositiegroeperingen die op verschillende fronten in het noorden van het land strijd voert tegen de Talibaan. ,,Degenen die hun eigenbelang boven het nationale belang stellen, blijven vechten. Zij krijgen steun van het buitenland, met name Iran, Rusland en India. Als zij er niet bij betrokken waren geweest, was er al lang een einde gekomen aan de oorlog.''

Nu die oorlog voortduurt en zelfs lijkt te intensiveren, hebben de Talibaan alle middelen nodig om hun tegenstanders te verslaan, zegt de gouverneur. Daarom kan nog geen begin worden gemaakt met de economische wederopbouw en herstel van het onderwijssysteem. ,,Wij zijn niet tegen onderwijs. Als de islamitische wetgeving het toestaat, kunnen ook meisjes naar school. We staan toe dat verpleegsters en vrouwelijke doktoren worden opgeleid omdat zij voldoen aan de behoefte van het volk. Maar u moet niet vergeten: we verkeren in een oorlogssituatie. We missen de middelen.'' Ook de vluchtelingen in het buitenland kunnen daarom voorlopig nog niet terugkomen. ,,Er heerst droogte, er liggen overal nog mijnen en er is een gebrek aan banen. Wij kunnen hen niet opvangen. Maar als ze op eigen kracht een nieuw bestaan kunnen opbouwen, zijn ze welkom. Dit is hun land.''

Overigens is de gouverneur niet pessimistisch. ,,We verwachten dat het conflict spoedig opgelost zal zijn'', zegt hij. En hij zegt: ,,Degenen in het Westen die denken dat wij een emotionele beweging zijn zonder doel en dat we spoedig zullen terugkeren naar de madrassa's (Koranscholen), hebben het mis. Nu we het land hebben behoed voor verdere vernietiging en desintegratie, gaan we regeren. Het is een misverstand om te denken: de Talibaan hebben hun doel bereikt, nu zullen ze zich wel terugtrekken.

,,Er is een spreekwoord in Afghanistan dat zegt: `Als je een mullah eenmaal iets hebt gegeven, krijg je het nooit terug'.''

De mensen in dit artikel zijn geanonimiseerd om hen te beschermen.

    • Wim Brummelman