Rust als remedie

Bij een tenniselleboog is afwachten de beste oplossing. Zijn de klachten blijvend, dan wende men zich tot de fysiotherapeut. Injecties met ontstekingsremmers geven meestal geen blijvend soelaas.

De beste remedie tegen een tenniselleboog is afwachten. Dat geneest het snelst en kost het minst. Injecties met ontstekingsremmers in de pijnlijke elleboog geven weliswaar op korte termijn veel verlichting van de klachten, maar een jaar later hebben mensen dan meer pijn en functiebeperking dan mensen die de prikken niet gehad hebben. Fysiotherapie verbetert de heling niet. Dat concludeert Nynke Smidt, fysiotherapeute en gezondheidswetenschapper die kortgeleden promoveerde aan de Vrije Universiteit op een onderzoek waarin zij de drie meest gebruikte therapieën voor een tenniselleboog vergeleek wat betreft effect en kosten.

Smidt: ``In januari 1997 heeft het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) een standaard voor de behandeling van de tenniselleboog gepubliceerd. Als behandelingen worden daarin onder andere afwachten, injecties met ontstekingsremmende corticosteroïden en fysiotherapie genoemd. Afwachten is volgens de standaard de `therapie' van eerste keus. Bij `afwachten' geeft de huisarts eenmalig ergonomische adviezen. Dat is bijvoorbeeld de instructie om een boodschappentas onderhands te tillen en niets boven je macht te pakken. Een pijnstiller slikken mag best, als dat nodig is. Als de klachten na verloop van tijd niet vanzelf verdwijnen, adviseert de NHG-standaard huisartsen om corticosteroïde-injecties te geven. De standaard adviseert het, maar er was alleen bewijs voor het effect van injecties op de korte termijn. Daarom is dit onderzoek gestart.''

Jaarlijks heeft 1 tot 3% van de hele bevolking een tenniselleboog of epicondylitis lateralis humeri. De Nederlandse naam verwijst naar overmatig tennissen, maar, aldus Smidt: ``slechts vijf procent van de tennisellebogen treedt op bij tennissers. Tennisellebogen zie je vooral bij mensen die boven hun macht grijp- en knijpbewegingen maken. De diagnose is makkelijk te stellen: mensen komen bij de huisarts met pijn aan de buitenkant van de elleboog. De pijn neemt toe bij drukken op de pijnlijke plek. Ook neemt de pijn toe als de arts de hand in de pols omhoog probeert te buigen terwijl de patiënt tegendruk geeft. De meeste patiënten zijn tussen de veertig en vijfenvijftig jaar.''

Scheurtjes

De pijn bij een tenniselleboog wordt waarschijnlijk veroorzaakt door microscopisch kleine scheurtjes in de pees die de spieren van de polsstrekkers aan de bovenarm verbindt. Zonder therapie verdwijnen de klachten na gemiddeld negen tot twaalf maanden.

Smidt zette met medewerking van 85 huisartsen in en rond Amsterdam een vergelijkend onderzoek op naar de effectiviteit van die drie meest gebruikte behandelingen. Smidt: ``Selectiecriteria waren minimaal zes weken pijn aan de buitenzijde van de elleboog, waarvoor patiënten het laatste half jaar geen behandeling ondergaan hadden. De groep die door het lot werd aangewezen om af te wachten, kreeg de voorgeschreven ergonomische adviezen. De injectiegroep werd in ieder geval eenmaal, en als de klachten niet afnamen maximaal driemaal geïnjecteerd met corticosteroïden en lidocaïne, een verdovend middel. Het verdovende middel werkt maar enkele uren, maar als de pijn tijdens het spuiten verdwijnt, weet de arts dat hij de pijnlijke pees op de juiste plek met ontstekingsremmers heeft ingespoten. De fysiotherapiegroep kreeg negen keer een behandeling door een fysiotherapeut met ultrageluidsgolven, massage en een oefenprogramma om de belastbaarheid van de spieren te verbeteren. De patiënten kregen ook huiswerk voor deze oefeningen mee.''

Aan het einde van de behandelperiode van zes weken gaven de patiënten aan hoeveel pijn en klachten ze nog hadden en hoe tevreden ze over de behandeling waren. Een fysiotherapeut die niet wist welke behandeling de patiënten hadden gehad onderzocht de mate van herstel.

Direct na de behandelperiode van 6 weken, was 92% van de injectiegroep volledig hersteld of veel verbeterd. In de afwachtgroep herstelde 47% en in de fysiotherapie groep 32%, beide significant slechter dan de injectiegroep. Na een jaar was het herstelpercentage in de injectiegroep echter gedaald naar 69% doordat mensen opnieuw last hadden gekregen, terwijl in de fysiotherapiegroep 91% genezen was verklaard, een significant verschil met de injectiegroep. Ruim 80% van de mensen in de afwachtgroep waren na een jaar ook genezen. Maar dit verschil was niet statistisch significant ten opzichte van de injectiegroep of de fysiotherapiegroep. Ook de kosten van de drie behandelingen zijn berekend op basis van directe kosten en indirecte kosten veroorzaakt door grotere hulpconsumptie en minder productiviteit. Over een jaar genomen, komt injectietherapie als goedkoopste uit de bus (ƒ947.–) gevolgd door afwachten (ƒ1390.–) en fysiotherapie (ƒ2029.–).

De geïnjecteerde patiënten waren aanvankelijk het meest tevreden, maar het percentage daalde van 90 naar 77% in een jaar tijd. Na een jaar waren 86% van de fysiotherapiepatiënten en 77% van de afwachters tevreden over hun behandeling.

Smidt: ``Waarom in de injectiegroep de klachten terugkomen, weten we niet. Misschien belasten mensen hun arm weer te snel wanneer die niet meer pijnlijk is door de injectie. Of misschien is de injectie zelf wel schadelijk voor de pees. Of corticosteroïd met lidocaïneinjecties helemaal nooit meer voor de behandeling van een tennisarm gebruikt moeten worden, weet ik niet. Misschien hebben mensen er baat bij om eerst te trainen met fysiotherapie en dan later ook nog eens die injecties te krijgen. Dan voorkom je misschien de overbelasting. Maar dat is iets voor een volgend onderzoek. Mijn conclusie voor de eerste behandeling van tennisellebogen is: afwachten, omdat ruim 80% van de patiënten na een jaar vanzelf hersteld zal zijn èn het is goedkoop. Wanneer zij erg veel last houden, adviseer ik fysiotherapie.''

    • Nienke van Trommel