Nieuwe levens

Het is een paar jaar geleden begonnen, natuurlijk in Amerika: in de talkshows van Ricky, Oprah en Jenny kun je om de zoveel afleveringen zien hoe een vette slons in trainingspak binnen een uur omgetoverd wordt tot een elegante verschijning, hoe van een heel lelijk eendje met jampotglazen en bloempotkapsel met behulp van een paar bussen haarlak en de smaak van een stralende Juan of een lispelende Georgio een-twee-drie een toonbare zwaan gemaakt kan worden. Een make-over heet dat, en iedere keer weer staat het publiek versteld; kennelijk schuilt in iedere Frankenstein een Claudia of een Naomi, en als je ziet wat er met al die hobbezakken nog mogelijk is, zal het met jezelf ook wel meevallen. In Nederland is dat idee van zo'n make-over (hier heet het metamorfose) enorm aangeslagen. En het is natuurlijk niet bij een strakker kapsel of een slank afkledende jurk gebleven. In Nederlandse programma's wordt tegenwoordig zo'n beetje alles gemetamorfoseerd.

Ik ken ze lang niet allemaal, maar wanneer ik 's avonds langs de kanalen zap, stuit ik altijd wel op een programma waarin een jong, maar toch al behoorlijk uitgeblust koppel thuiskomt en een totaal vernieuwd interieur aantreft, dat tijdens hun afwezigheid razendsnel door klusjesmannen en de sponsors in elkaar gezet is. Die nieuwe vertrekken zien er zonder uitzondering uit als steriele toonkamers. Het mooist zijn altijd de laatste beelden: het paartje zinkt ongemakkelijk weg in een kanariegele tweezitter van Jan des Bouvrie en proost elkaar verstrakt glimlachend met een glas champagne toe. Ze wilden verandering en verandering hebben ze gekregen. De vraag is nu of hun relatie bestand zal blijken tegen het nieuwe interieur.

De creatieve Nederlandse televisiemakers, altijd op zoek naar vernieuwing, zijn eindeloos gaan variëren op deze formule – en inmiddels kun je via de televisie zo ongeveer een heel nieuw leven krijgen. Er zijn programma's waarin je buren jouw huis aan hun smaak onderwerpen en dan mag jij hetzelfde bij hen doen. Bij Catherine Keyl kreeg laatst een stel verburgerlijkte travestieten een metamorfose aangeboden (,,getverdemme, ik lijk wel een oud wijf,'' riep een kandidaat spontaan uit toen hij zichzelf in de spiegel van Catherine zag). En in een nieuw programma dat RTL 4 uitzendt, Opnieuw beginnen heet het, krijgen mensen die door een echtscheiding of andere tegenslagen in het slop geraakt zijn, in bijzijn van een cameraploeg een nieuw uiterlijk en een nieuw interieur aangemeten, zodat ze met frisse moed kunnen doen alsof ze eigenlijk iemand anders dan zichzelf zijn.

In Nederland is het oog van God definitief het oog van de televisiecamera geworden. Zelf weet je best hoe miezerig en statisch je leven is geworden, maar ingrijpen lukt niet, je hebt geen overzicht, je zit gevangen in je eigen hoofd. Alles wat je aanraakt, gaat onherroepelijk op jezelf lijken – en dat is nu juist het laatste wat je wilt. Het leven zoals zich dat in de buitenwereld aandient, op televisie en in de reclame, is oneindig dynamisch. Er is daar een non-stop-metamorfose aan de gang, alleen jijzelf dreigt achter te blijven, lijkt het wel, alleen bij jou thuis verzamelt zich het stof in de hoeken, bladdert de verf, verschieten de gordijnen, alleen in jouw spiegel zie je almaar hetzelfde gezicht, steeds een beetje ouder, steeds een beetje lamlendiger.

De Amerikaanse cultuurcriticus Richard Sennett heeft het idee van de `flexibele mens' geïntroduceerd, de hedendaagse mens die vrij inzetbaar is op verschillende arbeidsmarkten, die niet meer aan een plaats gebonden is. Zo iemand ziet zijn leven als voortdurend onderhevig aan verandering, verandering van spullen, van omgeving, van uiterlijk en ook persoonlijkheid. Volgens Sennett is dat eenvoudig de werkelijkheid, hij bekijkt het vooral economisch. Volgens mij is het vooral een ideaal. Mobiliteit is nu een levensvoorwaarde. Stilstand is dodelijk.

Wie de wervingsspotjes van de NS voor nieuwe conducteurs ziet, begrijpt meteen de aard van de malaise bij dat bedrijf. Ook hier wordt het dagelijkse bestaan voorgesteld als een metamorfose: de eenvoudige kaartjesknipper speelt de hoofdrol in een snelgesneden James Bond-film. De dj in een hippe disco komt door het scratchen van hiphopplaten op het idee zich aan te melden als conducteur; met andere woorden, zijn werk is niets anders dan een voortzetting van zijn vrije tijd met andere middelen. De boodschap: werken bij de NS maakt een ander mens van je. Vroeger dagdroomden mensen op hun werk van een ander, vrij leven – nu worden werkelijkheid en droom als een en hetzelfde voorgesteld.

Die boodschap komt niet uit de lucht vallen, want sinds de Nederlandse Spoorwegen commercieel zijn gegaan, ademt het bedrijf zelf ook de geest van de make-over. Wie een nieuw Nederlands station binnenloopt, wacht de georganiseerde ervaring van de shopping mall, heel die postmoderne, internationale consumenten-ideologie van economische wendbaarheid en instantbevrediging. Dat het een hol imago is, dat de praktische werkelijkheid schaamteloos heeft genegeerd, is bekend. Maar de stugge onwil van het spoorwegpersoneel om zich te laten veroordelen tot wat het beschouwt als statisch, voorspelbaar werk, wordt invoelbaar wanneer je het naast dat imago legt. Neem de trein en laat je kaartje knippen of kijk eens goed naar de ontevreden woordvoerders van het personeel op de televisie, en je ziet het meteen: dit zijn mannen en vrouwen die snakken naar een metamorfose, die ervan dromen bevrijd te worden uit hun sleur, die wensen dat ze verlost werden van hun te strakke boorden en knellende broekriemen, dat ze één keer bij een goede kapper terecht konden, dat Jan des Bouvrie eens bij hén langskwam. En wat krijgen ze? Nog meer voorspelbaarheid. Dat rondje om de kerk is het leven zelf.

Het conflict bij de NS is het mooiste voorbeeld van het zeurende Nederlandse onbehagen. In een tijd waarin de voortdurende metamorfose tot ideaal is gemaakt, waarin hartstochtelijk een zwevend bestaan wordt nagestreefd, dat in alle opzichten ongebonden is en aan een stuk door opwinding belooft, schiet de tastbare werkelijkheid telkens opnieuw hopeloos tekort. Een prijs voor het reclamebureau dat het begrip arbeidsethos weer opwindend weet te maken.