IN EEN RUIME WONING LEGT DE EKSTER GROTERE EIEREN

Verbouwing van eksternesten door mensen heeft invloed op het aantal gelegde eieren en uitgekomen jongen. Het ekstervrouwtje gebruikt de kwaliteit van het nest als maat voor de kwaliteit van haar partner en zijn bereidheid te investeren in zijn broed. Dat blijkt uit onderzoek van Spaanse ecologen van de universiteit van Grenada (Behavioral Ecology, mei).

Eksters (Pica pica) lenen zich met hun opvallende, koepelvormige bouwsels goed voor zo'n onderzoek. Het simpele maar creatieve Spaanse experiment richtte zich op een reeks bouwsels van monogame paren voordat het leggen van de eieren begon. De onderzoekers voegden ofwel zo'n twintig centimeter aan dakstructuur toe, in de vorm van flinke takken, of ze haalden diezelfde hoeveelheid aan dakmateriaal juist weg.

Ze stelden vast dat de uiteindelijke legselgrootte in de gereduceerde nesten lager was en bij de uitgebouwde nesten hoger, in vergelijking met controlenesten. Het is alsof de vrouwtjes in het laatste geval betere vooruitzichten dachten te hebben om maximaal investerend de broedpoging in te gaan, in plaats van uit twijfel over hun huidige partner hun krachten te sparen voor komende jaren. Dat verschil in vertrouwen lijkt ook te spreken uit het broedgedrag zelf. In de kleiner gemaakte nesten begon het vrouwtje al eerder met het bebroeden van de eieren, ruim voordat het legsel compleet was, met het gevolg dat de jongen `in serie', dat wil zeggen op betrekkelijk ver van elkaar gelegen tijdstippen, uitkwamen; het lichaamsgewicht van de eerste uitgekomen jongen was hoger dan dat van de nakomers. In de grotere nesten werd het broeden juist uitgesteld, zodat de jongen min of meer gelijktijdig uitkwamen.

De uitkomst van het onderzoek geeft steun aan het idee dat vogels een berekenend gokje nemen met hun legsels. De regel lijkt te zijn: flink en maximaal investeren bij optimale kansen, en bij gebrek aan vertrouwen in het voedselaanbod of de partnerhulp, juist uitgaan van een lagere verwachting. Ze draaien hun investering dan terug, kiezend voor enkele kanshebbende jongen en houden nog wat kleinere achter de hand als het alsnog meezit. Die later uitkomende jongen, met lager lichaamsgewicht, zitten de eerstgeborenen niet in de weg en zij kunnen bij onverwachte meevallers ook groot worden, ondanks hun aanvankelijke achterstand in de `serieproductie'.

Voor het vrouwtje telt niet zozeer de nestbouwactiviteit, maar het resultaat daarvan: de afmeting van het nest. In theorie zouden ook andere overwegingen het gedrag van ekstervrouwtje kunnen bijstellen – maar dat is hier niet onderzocht. Een kleinere nestkoepel biedt in theorie minder bescherming tegen roofdieren en andere kraaiachtigen die uit zijn op woonruimte of op eieren, of gewoonweg ruzie zoeken. Ook de temperatuur- en vochtigheid-regelende eigenschappen van het nest worden mede door de dakgrootte bepaald. Dit zou zowel de investeringskeuze van het vrouwtje als het verloop van het broedproces kunnen beïnvloeden.

    • Frans van der Helm