Ik kan lichtgewicht kamperen

Een reisje boeken naar Nepal is niet moeilijk, een appartement huren op Tenerife is ook gemakkelijk, en een vliegreis bespreken naar Antarctica kan iedereen. Maar zelf een kampeertocht maken door de Ardennen – met je tent en je eten op je rug – is iets wat je leren moet.

Het belangrijkste is gewichtsbesparing. Een rugzak van 25 kilo is voor een trekker van gemiddelde grootte geen pleziertje meer. Streef eerder naar vijftien kilo. Dat betekent een radicale omkering van het gezegde `beter mee verlegen dan om verlegen' – alles wat je niet absoluut nodig hebt, laat je thuis. Dus geen kampschop, geen haringtrekker, geen wasteiltje en zeker geen opvouwbaar stoeltje.

Kies bij alle uitrustingsstukken altijd de lichtste uitvoering. Een fleece trui is lichter dan een wollen, een slaapmatje van gesloten cellen is lichter dan een luchtbed. Volume is minder belangrijk dan gewicht. Zorg in ieder geval voor een behoorlijk grote rugzak. Tachtig liter is een mooie maat. Of de rugzak een uitwendig of inwendig frame moet hebben, is minder belangrijk dan het gewicht. Neem desnoods een unster (weegveer) mee naar de survivalwinkel.

Rugzakken zijn zelden waterdicht, via de naden trekt er water in. Je kunt veel tijd steken in het waterdicht maken van die naden, maar handiger is om slaapzak en reservekleren gewoon in plastic zakken te stoppen. Ook de waterdichte hoes om de rugzak kun je beter thuislaten.

Betrouwbaar drinkwater vind je bijna altijd wel in de bergen. Vul je plastic waterflessen pas op het laatste moment. Het zijn weer extra kilo's die je dragen moet. Ontsmettingstabletten zijn meestal niet nodig, maar wegen niet veel.

Wie af en toe een dorpje aandoet kan daar eten kopen, anders ben je aangewezen op droogvoedsel. Reken op zo'n 650 gram per persoon per dag, 's winters meer (voor een week dus zo'n vijf kilo). Blikvoer weegt teveel, niet alleen het blik, ook het ingesloten water moet je meetorsen. Handig zijn allerlei pastasoorten, chocola en andere candy bars, rozijnen, noten, cup-a-soup, strooikaas, instantpuree, gedroogde groenten, harde worsten. Boter kun je beter vervangen door een flesje olie. Wie verstand van planten heeft, kan zelf wat eetbaars verzamelen, bijvoorbeeld vogelmuur. Voor het plukken van jonge brandnetels gebruik je een plastic zakje.

Een tweepersoonstent moet minder dan drie kilo wegen. Dat is meestal een duur tentje. Betrouwbaarheid staat voorop – je kunt je geen lekke tent of gebroken stok veroorloven als je op drie dagen lopen van de auto of trein staat. Op het gewicht van de slaapzak kan beknibbeld worden als je een polyester pyama meeneemt. (Als die enigszins toonbaar is, heb je tevens een reserve broek.) De tijd dat een slaapzak beslist met eiderdons gevuld moest zijn, is voorbij. Er zijn ook uitstekende kunststof zakken. Het grotere volume los je op met een grote rugzak. Schaam je niet om met je kleren aan te slapen, al moet je ze onmiddellijk uittrekken als je gaat zweten.

Een gasbrander doet het 's winters niet, maar is 's zomers een prima oplossing. Zelf geef ik voor tochten van een week de voorkeur aan spiritusbranders, omdat daarin windscherm, pannen en brander simpel verenigd zijn. Maar spiritus is een zware brandstof. Voor langere tochten komt een benzinebrander in aanmerking. Let er wel op dat de (was)benzinesoorten per land nogal verschillen. Afwasmiddel, vorken, borden – allemaal overbodig. Met WC-papier maak je een vette pan schoon.

Regenkleding is voor een rugzakkampeerder altijd een probleem. Een gesloten jas blijft hoe dan ook benauwd – vaak word je van je eigen zweet natter dan van de regen. Moderne, peperdure hightech jassen zouden de oplossing vormen, maar in bossen (waar het niet waait) werkt een lichte poncho ook goed. Let erop dat die over de rugzak past.

Neem wat plastic zakjes, pleisters, touwtjes, elastiek, naald-en-garen en tape voor reparaties mee, maar beknibbel op allerlei zogenaamde handige dingetjes, op boeken, verrekijker, radio en reservekleding. Het allerkleinste zaklantaartje is 's zomers al goed genoeg. 's Winters is een kaarslantaarntje het overwegen waard.

Maak een lijst met zaken die je meeneemt (of vergeten bent), zodat je een volgend keer niet lang hoeft na te denken. Maar neem niet automatisch alles mee wat erop staat. Vergeet vooral de landkaarten niet. Wandelen doe je op stafkaarten (1:50.000). Voor een week wandelen heb je er wel een stuk of zes nodig.