Het Bourgondisch lezen

Niet iedereen kan het. Maar velen kennen het wel: het Bourgondisch lezen. Daarmee bedoel ik dat je kunt genieten van een roman of een gedichtenbundel alsof het eten, drinken of roken is. In gemiddelde hoeveelheden is het goed, in grote hoeveelheden is het al enigszins zorgwekkend, in te grote hoeveelheden raak je eraan verslaafd en kom je er niet meer van af.

Ik hou de vergelijking met eten nog even vol: iedereen weet dat te weinig en te veel eten slecht is. Een beetje te veel is niet slecht, dat is gewoon Bourgondisch. Veel eten is vooral lekker als het goed eten is. Nieuwe aardappeltjes in olijfolie gebakken, kersen van de boom, een gemarineerde haas in de winter, witte asperges van Limburgse zandgrond met gewelde boter, zo smaakprikkelend kan lezen ook zijn. Een mooi boek kan een paar dagen of weken in je leven opgenomen worden: je denkt mee over oplossingen, piekert over de afloop of komt tot nieuwe inzichten die je bezighouden. Een gedicht kan zo mooi zijn dat je het opnieuw leest, in gepeins verzinkt en het overleest tot het je eigendom is. Je likt aan de taal als aan een ijsje. Te veel lezen echter is een verslaving. In de woorden van de oude statenvertaling in Prediker: `Veel lezens is vermoeiing des vleesches', of, in de vertaling van het bijbelgenootschap: `afmatting voor het lichaam'. Dan lees je niet meer om een dimensie aan het leven toe te voegen, maar om het lezen zelf, zoals de alcoholist de wijn niet meer drinkt om de kwaliteit, maar om de kwantiteit. Maar onbekommerd, overdadig en wellustig genieten van lezen typeert de echte lezer die de verslaving achter zich heeft gelaten.

Het verlangen om een verhaal te horen is van alle culturen en alle tijden. Ik heb een zus die een goudvis verhalen voorleest. Zover zou ik niet gaan, maar baby's kunnen ook nog voor ze kunnen praten al gefascineerd naar een verhaaltje luisteren. Niet elke peuter heeft er overigens genoeg concentratie voor. Als er in Sesamstraat een verhaaltje verteld wordt, zie je precies welke peuters eigenlijk liever de camera zouden willen slopen en welke zich met het verhaal geïdentificeerd hebben.

Ikzelf ben vroeger een verslaafde lezer geweest. Dat kwam door mijn vader. Hij was een geboren verteller, die kleine dingen tot mythische proporties wist op te blazen. Een vogelveertje op de stoep werd bij hem het verhaal van een mereljong dat uit het nest was gevallen, door een poes achtervolgd werd, een duif die dat zag en met zijn klappende vleugels op de poes afstoof, waarop het mereltje net op tijd kon ontsnappen. Mijn vader wekte de lust tot verhalen in mij op. Zodra ik zelf kon lezen, was er geen letter meer veilig voor me. Mijn verslaving is begonnen met Charles Dickens. We hadden een abonnement op De Maasbode, een verdwenen landelijke katholieke krant, die met een dag vertraging per post in het katholieke zuiden bezorgd werd. Daarin stond dagelijks een episode uit David Copperfield afgedrukt. Ik neem aan dat het boek ingekort of bewerkt was, maar ik heb dat nooit nagezocht. Boven de tekst stonden prachtige diepromantische tekeningen, die ik nog voor mijn ogen zie. Ik kon de postbestelling niet afwachten om het vervolg te kunnen lezen en ik haatte de zondag, waarop geen krant verscheen. Later heb ik de roman gelezen en enkele verfilmingen ervan gezien, maar die eerste beelden bleven mijn ijkpunt voor het uiterlijk van David en zijn tante.

Op de lagere school kreeg ik met mijn twee oudere broers een jeugdabonnement op de bibliotheek van Tegelen. De parochiebibliotheek van mijn geboortedorp had ik toen al uitgelezen. Een boek lenen kostte een dubbeltje en we kregen elk drie dubbeltjes. Het was vijf kilometer fietsen naar Tegelen, en die tijd gebruikte ik om te onderhandelen met mijn broers. Als ik goed onderhandelde en hun keuze beïnvloedde, zodat ze niet alleen cowboyboeken kozen, dan kon ik tot negen boeken per week komen. Ik las waar ik kon: in bed bij slecht licht, in de bosjes, in de tuin, ontvluchtte alles. In eerste instantie was dit soort lezen alleen gericht op het verhaalverloop. Een spannende opbouw en een goede afloop waren de enige eisen.

Op de middelbare school nam mijn verslaving eerst nog toe. Tussen de middag waren er lange pauzes en dan mochten we in een lokaal gaan zitten met een kleine schoolbibliotheek. Het was een buitengewoon achterlijke bibliotheek met vooral boeken van Felix Timmermans, Ina Boudier Bakker en Marie Koenen. Marnix Gijsen en Bertus Aafjes waren al te modern. Er waren ook negentiende-eeuwse uitgaven, zoals de blauwe bandjes van Jacob van Lennep, die ik intens mooi vond. Terwijl de twintigste eeuw zwaar gekuist aanwezig was, hadden de nonnen blijkbaar de opvatting dat er in de negentiende eeuw geen ontuchtige boeken geschreven werden, want ik las daar Klaasje Zevenster van Van Lennep, dat in een bordeel speelt, Lidewyde van Busken Huet, dat over verleiding en overspel gaat en Madame Bovary van Flaubert in vertaling. Op de middelbare school kreeg ik behalve de lust in het verhaal ook de lust in de taal te pakken. Ik genoot van mooie zinnen, treffend Nederlands, welgevallige woorden, virtuoze combinaties. Maar ook begon ik me te realiseren dat literatuur compensatie is. Literatuur kan een substituut zijn, voortkomend uit een onvermogen tot genieten dat gecompenseerd wordt door erover te lezen.

Er zijn in de tijd van Freud veel boeken geschreven over vrouwen die ten onder gaan aan het lezen. Madame Bovary is essentieel ontevreden geworden door haar lectuur. Hetzelfde geldt voor Eline Vere. Door het lezen is ze zover van het leven afgeraakt dat ze niet meer genoeg levensmoed heeft. Beide romanfiguren eindigen met zelfmoord. Lezen wordt aan het eind van de negentiende eeuw vaak gezien als een vorm van ennui, van decadent onvermogen zelf iets van het leven te maken.

Ook in de eerste decennia van de negentiende eeuw werd lezen als een kwaad gezien. Lezen dreigde toen een massacultuur te worden, met steeds meer deelnemers ook uit de laagste klassen van de bevolking. Er kwam een antileesbeweging op gang, met name vanuit de religieuze hoek. Lezen zou een sociaal kwaad zijn, omdat het van werken afhield. Het zou lui maken, en daardoor zou ook de lichamelijke gezondheid ondermijnd worden. Lezen zou tot zinnelijkheid en immoraliteit leiden. Omdat de lezer geen onderscheid meer kon maken tussen schijn en werkelijkheid, zou hij onbekwaam worden voor het dagelijkse leven. Een aantal jaren probeerden dominees en pastoors de toename van het lezen tegen te houden. Dit bleek een verloren zaak te zijn en weldra werd het roer omgegooid. De geestelijke stand richtte zich niet meer tegen het lezen zelf, maar tegen het lezen van verkeerde boeken. Om te zorgen dat in de groeiende behoefte aan leesstof toch voldaan kon worden, ontwikkelden de geestelijken een eigen religieuze leespers. De protestanten richtten een Vereeniging ter Bevordering van Christelijke Lektuur op en andere verenigingen voor goede boeken. Ze kregen hun eigen uitgeverijen en hun eigen dominee-volksschrijver met de prachtige naam Jan de Liefde. De katholieke monseigneur Zwijsen constateerde het schrijnend tekort aan boeken met een katholiek stempel. Hij combineerde op een goed-jezuïtische manier de zaken, door een uitgeverij aan het R.K. Jongensweeshuis van Tilburg te verbinden. Zo had hij goedkope arbeidskrachten, hij kon weesjongens aan een opleiding helpen en tegelijk kon hij het onderwijs en het lezen in Brabant manipuleren.

De inspanningen van pastoors en dominees hebben er buiten hun opzet toe geleid dat Nederland een lezende natie is geworden. Het aantal lezers en kopers van boeken is hier nog altijd hoger dan elders in Europa. Kleine parochiebibliotheekjes en gecensureerde schoolbibliotheken zijn echter zeldzaamheden geworden.

Ikzelf ben de echte verslaving kwijtgeraakt in mijn studententijd. Een Bourgondisch lezer ben ik wel nog steeds. Ik lees literatuur met al mijn zintuigen: van een goed beschreven hoofdpersoon weet ik hoe hij ruikt, hoe hij voelt, hoe hij eruit ziet, hoe zijn stem klinkt. Zonder de zinnen uit te spreken weet ik ook of ze muzikaal zijn, structuur hebben, een geraamte en een huid.

Goede literatuur weet in taal de vier zintuigen te vangen. Dit is waarom lezen voor mij ook een zinnelijke sensatie is. Soms slaat de oude verslaving weer toe: ik voel nog de opwinding bij A. van der Heydens Advocaat van de hanen, bij Harry Mulisch' Ontdekking van de hemel, bij Rozenbooms Publieke werken, boeken die het niet verdragen om weggelegd te worden. Verleden zondag heb ik de roombotercroissantjes voor het ontbijt in de oven laten verbranden, omdat ik begonnen was aan de nieuwe Eco.

P.S. De paardenbonen zijn nu 30 cm lang. De planten lijken sterk op die van tuinbonen.