Fiscale vergissingen

De belastingdienst wordt ruimhartiger bij het vergoeden van de kosten die belastingbetalers maken om fouten van de fiscus recht te zetten.

Een hoge belastingaanslag is zelden welkom en soms onjuist. In dat laatste geval moet een bezwaarschrift uitkomst bieden. Daarvoor hoeft men geen belastingadviseur in te schakelen. Toch is het vaak wel zo verstandig een beroep op een belastingadviseur te doen, al kan dat flink wat kosten. Zelfs als de inspecteur de belastingbetaler gelijk geeft, draait deze zelf voor die kosten op. In de loop van de tijd is het denken daarover veranderd. De Hoge Raad haalde al weer acht jaar geleden een streep door de zeer terughoudende opvatting van de fiscus. Een aanslag die volgens de rechter niet strookt met de wet, is onrechtmatig. Dan mag de burger niet blijven zitten met de rekening. Kortom de fiscus moest, wat betreft de procedure bij de rechter, de rekening van de belastingadviseur vergoeden. Dat zinde de regering allerminst. Snel kwam er een wet die de door de Hoge Raad afgedwongen schadevergoeding sterk beperkt. Sindsdien krijgt de burger via een vaste staffel niet meer dan 10 tot 20 procent van de adviseurskosten vergoed. Overigens bestaat er ook na dit regeringsingrijpen een mogelijkheid om wat royaler aan zijn trekken te komen. Maar dat is een omweg via de civiele rechter en die is onzeker, tijdrovend en duur.

Hoewel de overheid in andere delen van het bestuursrecht de kosten van een ambtelijke fout vergoedt, wil de regering de belastingheffing van die regeling uitzonderen. De fiscus zou alleen een kostenvergoeding hoeven te betalen als hij zijn foute aanslag baseerde op een onhoudbare wetsuitleg of op al lang achterhaalde uitspraken van de rechter. Het wetsvoorstel dat deze uitzondering moest vastleggen, schoot in het verkeerde keelgat bij Tweede-Kamerlid Boris Dittrich (D66). Hij wil een meer reële schadevergoeding en kreeg daarvoor de steun van de meerderheid van de Kamer. Het zo aangepaste wetsvoorstel ligt nu bij de Eerste Kamer. De nieuwe regeling gaat waarschijnlijk deze zomer in.

Na de publicatie in de Staatscourant krijgt de burger een volledige vergoeding van de kosten die hij moest maken om een foutieve aanslag recht te zetten. Dat geldt zowel de kosten voor het beroep op de belastingrechter, als van de daaraan voorafgaande bezwaarfase. De omweg langs de civiele rechter verliest daarmee zijn belang. Voor de schadevergoeding gelden twee voorwaarden. Allereerst moet de inspecteur onrechtmatig gehandeld hebben. Dat is volgens de bestaande opvattingen van de Hoge Raad al snel het geval. De Raad vindt dat de overheid het risico moet dragen dat een belastinginspecteur de wet verkeerd interpreteert. De Staat en niet de burger is verantwoordelijk voor de wetten met alle mogelijke onduidelijkheden die ze oproepen. Het is nog de vraag hoe het zit bij formele fouten van de belastingdienst. Bijvoorbeeld het geval waarin de inspecteur de termijn voor het opleggen van een aanslag overschrijdt. De Hoge Raad heeft voor andere overheidsdiensten al uitgemaakt dat ook de kosten voor het rechtzetten van dergelijke fouten, aan de burger vergoed moeten worden. Sommige belastingdeskundigen betwijfelen of de Raad deze benadering zonder meer ook bij de belastingdienst gaat toepassen. Als tweede voorwaarde voor kostenvergoeding stelt de nieuwe wet dat alleen de kosten worden vergoed die een belastingbetaler redelijkerwijs heeft moeten maken voor de behandeling van het bezwaar- of beroepschrift. Wat in dit opzicht redelijk is, zal gaandeweg uit de rechtspraak blijken. Duidelijk is al wel dat het moet gaan om echte kosten van professionele hulp. Dus niet om vergoeding van de tijd van de belastingbetaler zelf of om een nota van een welwillende buurman. Hoewel de wet pas over enkele maanden gaat gelden, doet men er goed aan nu al om een volledige kostenvergoeding te vragen. Alleen wie er om gevraagd heeft, kan straks de vergoeding krijgen. Wie nu alvast bij het indienen van een bezwaar- of beroepschrift om kostenvergoeding vraagt, heeft de kans dat de wet al is ingegaan als de inspecteur of de rechter een beslissing neemt. Misschien komen ook de mensen die pas dan een verzoek indienen voor de kostenvergoeding in aanmerking, maar zeker is dat niet. Dat soort zaken staat namelijk niet in de wet, maar in een uitvoeringsregeling. Die is er nog niet. Dan geldt het simpele principe: niet geschoten is altijd mis.

Op één terrein werpt de nieuwe wet al duidelijk zijn schaduw vooruit. In overleg met de belastingadviseurs heeft staatssecretaris Bos de kostenvergoeding geregeld voor de bezwaarschriften tegen de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2001. Bij het overschakelen op het nieuwe belastingstelsel heeft de belastingdienst bij vermogende mensen bepaalde inkomsten twee keer meegeteld. Één keer voor de inkomstenbelasting (box 1) en één keer voor de vermogensrendementsheffing (box 3). Die fout was overigens met een eenvoudig bezwaarschrift recht te zetten. De staatssecretaris heeft besloten de werkelijke kosten van dergelijke bezwaarschriften te vergoeden met een maximum van 650 gulden (inclusief BTW). Volgens de staatssecretaris kost het opstellen van een dergelijk bezwaarschrift een belastingadviseur hooguit 2,5 uur. De kosten daarvoor wil de staatssecretaris vergoeden en daarvoor heeft hij een sterk vereenvoudigde procedure ontworpen. Het volstaat om in een simpel schriftelijk verzoek het aantal door de adviseur gewerkte uren (niet meer dan 2,5) en het gefactureerde bedrag (niet meer dan 650 gulden) te noemen. De regeling geldt alleen voor voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2001 met als dagtekening 31 januari 2001. Bij het verzoek moet men zijn bankrekening en sofinummer opgeven. Er moet bovendien een verklaring bij dat men ,,ter zake niets meer van de Staat te vorderen heeft''. Alleen wie een hogere vergoeding wil, moet een uitgebreid verzoekschrift met bijlagen indienen. De afwikkeling daarvan kan meer dan een half jaar kosten, terwijl de belastingdienst de vereenvoudigde verzoeken voor eind juli 2001 afgewikkeld wil hebben.

Het moet gaan om kosten van professionele hulp