Er is geen `hoge' en `lage' cultuur

Als opmaat tot een openbaar debat over cultuur betoogden Andries van den Broek en Jos de Haan op 10 mei op deze pagina dat cultuur de slag om de vrije tijd verliest. Hans Dijkstal en Atzo Nicolaï denken dat het niet zover hoeft te komen en menen dat vertrouwen in de burger op zijn plaats is.

De afgelopen maanden ging de interessante operaproductie Aïsja niet door, werd de vertoning van de onthullende film Ajax belemmerd en kwam de uitvoering van het confronterende toneelstuk Hooligans in de problemen. Dit als gevolg van dreigementen – vanuit islamitische hoek en vanuit de hoek van de hooligans. Het waren verontrustende botsingen met essentiële waarden. De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van artistieke expressie vormen, evenals de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van wetenschap, immers grondslagen van onze cultuur.

De politiek mag nooit voor dreigementen zwichten als dergelijke vrijheden in het geding zijn. Natuurlijk kan en wil de politiek niet in geval van bedreiging aan acteurs een verplichting opleggen om op te treden of aan bioscoopdirecteuren om een film te vertonen. Wel moet ze de hoogste prioriteit geven aan het zorgen voor veiligheid in zo'n geval en aan het opsporen van de daders. Bovendien moet de politiek krachtig duidelijkmaken hoe belangrijk deze vrijheid is, juist in een diffuser en multicultureler wordende samenleving. Een demonstratief bezoek zoals de burgemeester van de stad van Feyenoord deed bij de film Ajax kan een goed gebaar zijn.

Vrijheid van artistieke expressie moet het beginpunt en het eindpunt van cultuurbeleid zijn. Het accent moet niet liggen op beleid, maar op cultuur (opgevat als kunst en cultureel erfgoed). Cultuur moet vooropstaan, zich zoveel mogelijk autonoom en in wisselwerking met publiek ontwikkelen, en artistieke expressie moet zoveel mogelijk ruimte krijgen. Voor zover er beleid nodig is moet het allereerst gaan om het scheppen van gunstige voorwaarden in het algemeen en pas daarna om subsidie. Als er subsidies worden gegeven moeten goede afspraken gemaakt worden over beleid en financiële verantwoording, maar ook dan moet er niet inhoudelijk worden gestuurd. De samenleving is niet maakbaar, cultuur is niet maakbaar en de samenleving is al helemaal niet maakbaar met behulp van cultuur. Cultuur heeft een intrinsieke betekenis en is geen politiek middel voor gewenste maatschappelijke verandering.

Bij cultuurbeleid moet een houding van respect en ruimte geven vooropstaan. Naarmate de overheid zich meer is gaan ontfermen over cultuur, is het belang van deze houding, deze terughoudendheid in beleid voor wat betreft de inhoud, alleen maar toegenomen. Hoe meer cultuur afhankelijk is van de overheid, hoe meer ruimte de overheid inhoudelijk moet geven om staatskunst te voorkomen.

In de tweede plaats moet cultuurbeleid uitgaan van het grote belang van cultuur voor de samenleving. Geen mens kan zonder. Cultuur is geen franje in tijden van voorspoed maar een basisbehoefte. Als inspiratie of confrontatie, als genot of troost. De onmisbaarheid van cultuur als communicatiemiddel wordt in onze geïndividualiseerde samenleving alleen maar groter.

Ten derde: de grote betekenis van cultuur wordt het beste bevorderd als zij inhoudelijk vrij wordt gelaten, maar de politiek is wel verantwoordelijk voor het creëren van kansen. Daarbij gaat het nog het meest om cultuureducatie. Jongeren moeten meer en eerder bij cultuur worden betrokken. Het onderwijs moet meer gericht zijn op de overdracht van kennis van cultureel erfgoed en kunst, waardoor jongeren hun affiniteit daarvoor beter kunnen ontwikkelen. Daarnaast heeft de overheid op veel andere terreinen een verantwoordelijkheid voor cultureel stimulerend beleid – denk aan de vakopleidingen, de media, de ruimtelijke ordening, de belastingen, het auteursrecht en de vormgeving.

In de vierde plaats moet cultuurbeleid uitgaan van het besef dat het overgrote deel van cultuur zonder subsidie bestaat, maar dat voor een heel belangrijk deel directe steun vereist is, omdat het er anders niet zou zijn. Musea en podiumkunstgezelschappen zijn te duur om door een afnemersmarkt gedragen te kunnen worden. Soms ook is kunst te riskant of te experimenteel. Dan springt in Nederland meestal de overheid in, en gelukkig in toenemende mate (denk aan het zojuist opgerichte fonds van Van den Ende) ook particulieren.

Bij subsidieverdeling moet het belangrijkste criterium kwaliteit zijn. Wegens de vereiste inhoudelijke terughoudendheid wordt dit beoordeeld door onafhankelijke deskundigen. De politiek moet hun adviezen wel toetsen op zorgvuldigheid en consistentie, maar niet op de inhoud van het oordeel. Bij de vierjarige subsidieverdeling die vorig jaar plaatsvond, stond dit criterium na bijstelling van de voornemens van de staatssecretaris door de Kamer, uiteindelijk wel voorop. Toch heeft dit niet geleid tot voldoende selectiviteit bij de keuzes. Er ontstonden bijna anderhalf keer zoveel rijksgesubsidieerde cultuurinstellingen. Ondanks de grote verruiming van het cultuurbudget hebben de meeste instellingen nog steeds niet de extra armslag die ze zo hard nodig hebben. Zelfs niet onze – ook internationaal – zeer gerenommeerde instellingen. Verdere versnippering moet worden bestreden door bij vierjarige subsidie scherper te kiezen voor erkende en duurzame kwaliteit.

De beste systematiek voor subsidieverdeling blijft de huidige vierjarenplanning met een cultuurnota en de Raad voor Cultuur. Niet voor niets wordt daar vanuit het buitenland met enige jaloezie naar gekeken. Het geeft enerzijds mogelijkheden voor heroverweging en biedt anderzijds instellingen zekerheid voor vier jaar.

De laatste ronde vertoonde echter te veel bureaucratie en te veel onduidelijkheid over de criteria. De procedure moet worden vereenvoudigd en verhelderd. Het Rijk moet minder direct voor zijn rekening nemen. Meer kan lopen via de fondsen en eventueel de grote steden. Gezien de schaal van Nederland en het karakter van cultuur is verdere decentralisatie niet wenselijk. Beter overleg en afstemming met de andere overheden zijn wel geboden.

Ook met de instellingen is in de afgelopen ronde niet zorgvuldig genoeg omgegaan. De staatssecretaris en de Raad voor Cultuur moeten duidelijker zijn over de te hanteren criteria en meer contact onderhouden met de instellingen zodat zij niet worden overvallen door negatieve besluiten. Ook een dergelijke zorgvuldige omgang heeft te maken met respect.

Kwaliteit kan niet los gezien worden van publieksbereik, dat het tweede, afgeleide criterium moet zijn bij subsidieverlening. Cultuur beoogt communicatie, moet iets teweegbrengen bij mensen, bij zoveel mogelijk mensen. Kwaliteit heeft te maken met de wisselwerking tussen aanbod en publiek. Ook de kunstenaar heeft reactie nodig om zich verder te kunnen ontwikkelen. In die zin dreigt bij het 'marginaliseringsscenario' van Van den Broek en De Haan (Opiniepagina, 10 mei) waarbij het publiek steeds meer kiest voor andere vrijetijdsbesteding dan cultuur, een neerwaartse spiraal. Dat mag zich niet voordoen. Het zal zich ook niet voordoen. Als ten minste de overheid zich langs de bovenstaande lijn sterk blijft maken voor cultuur en voor het bijbrengen van de liefde voor cultuur, en voorkomt dat er een kloof ontstaat tussen 'hoge' en 'lage' cultuur of tussen gesubsidieerde en commerciële cultuur.

De cultuursector zal zich ook moeten blijven inspannen mensen te betrekken bij de prachtige dingen die daar gebeuren. Zonder concessies te doen aan het aanbod, aan het verhaal dat de kunstenaar wil vertellen. Maar waarbij ze helemaal niet vies is in te spelen op behoeftes van het publiek. Laten we het idee dat daar iets mis mee is, net als de tegenstelling tussen `hoge' en `lage' cultuur, als een tijdelijke twintigste eeuwse oprisping in de westerse beschaving beschouwen.

We mogen ook vertrouwen hebben in de burger. Als die zo makkelijk voor de verlokkingen van het snelle vermaak zou zwichten, was dat allang gebeurd. De tv heeft niet geleid tot minder theaterbezoek, de lp en de cd niet tot minder concertgangers en internet niet tot minder museumbezoek. In een tijd van individualisering en ontkerkelijking kan de behoefte aan gezamenlijke culturele ervaringen juist toenemen. Nu de maatschappij sneller en jachtiger wordt, kan het belang van de verdieping en reflectie die cultuur kan bieden, groeien. In een informatie-samenleving waarin steeds meer reproduceerbaar is, kan de behoefte aan de authentieke ervaring, de confrontatie met de originele cultuuruiting juist groter worden.

Nederland heeft een uitgesproken rijk cultureel erfgoed, een cultuurbeoefening van uitzonderlijk hoog niveau en van grote geschakeerdheid en een traditie van vrijheid van artistieke expressie. Wij moeten in staat zijn onze gehechtheid daaraan over te dragen aan de nieuwe generatie Nederlanders.

Hans Dijkstal en Atzo Nicolaï zijn leden van de Tweede Kamer, respectievelijk voorzitter van de VVD-fractie en mediawoordvoerder. Op 8 juni zal in Amsterdam een debat over cultuur en beleid worden gehouden. Daaraan voorafgaande ontvouwen deskundigen en de fractievoorzitters uit de Tweede Kamer op deze pagina hun visie over de toekomst van de cultuur. Eerdere afleveringen in deze serie verschenen op 10 en 17 mei. Lezers kunnen via internet hun bijdrage aan de discussie leveren:

kunstvoorwie@tegenspraak.nrc.nl