De jarige VPRO en de last van de kijkcijfers

De 75-jarige VPRO jublileert, met gemengde gevoelens. Het gebrek aan jubelstemming werd nog eens onderstreept door de afgelasting van het jubileumfeest op de Veluwe ten gevolge van de MKZ-crisis.

De omroep die in 1968 avant-gardistisch en vernieuwend werd, nadat progressieve programmamakers de macht van vrijzinnige dominees hadden overgenomen, worstelt met de gesel van het overlegmodel. In de jaren zeventig en tachtig, toen er nog polarisatie bestond, was de VPRO onverbloemd links, taboedoorbrekend en veranderingsgezind. Op de vaste zondagavond werd geëxperimenteerd met programmavormen; vaak met uitzonderlijk, soms ook met teleurstellend resultaat.

Met het verdwijnen van taboes en tegenstellingen lijkt ook de missie van de VPRO verdampt. Als nu het experiment wordt aangegaan, levert dat niet zelden intern tumult op. Programmamaker Rob Muntz van Waskracht werd tot twee keer toe tot de orde geroepen: vorig jaar met zijn Hitler-imitatie te Oostenrijk, onlangs met een parodie op programma's als Breekijzer en De Rijdende Rechter. Nu moet worden gewerkt in een overgemodelleerde structuur, morren medewerkers en is de speelruimte teloor gegaan om het medium creatief te gebruiken. Tot hun ongenoegen is de VPRO gewoon een van de omroepen in het bestel geworden; weliswaar met een aantal uitstekende programma's, maar ondergedompeld in het stramien van door consultants met zakjapanners ontworpen zenderdiscipline.

Tot ongenoegen van veel getrouwen verloor de VPRO bovendien zijn vaste zondagavond, om onderschikt te worden aan het Nederland 3-model. Op deze zender wordt, onder leiding van `zendercoördinator' Tom Kamlag, gewerkt met toegankelijke formats en een `horizontale programmering' die moeten leiden tot een `marktaandeel' van tien procent. De jubilerende omroep, die zich sinds jaar en dag niet druk maakt om kijkcijfers, moet er nu ook aan geloven. Er mag verschil zijn, zegt Kamlag, maar alle omroepen die op Nederland 3 programmeren, dienen een gelijkwaardige bijdrage te leveren.

,,Het probleem is, dat Nederland 3 een scala aan prachtige programma's biedt, waar te weinig naar wordt gekeken'', zegt Kamlach. ,,Wij discussiëren over de vraag: hoeveel programma's voor kleine doelgroepen kunnen wij ons permitteren? Als het derde net te weinig samenhang vertoont, wordt het te veel een zender waar je even aanwipt. De kijker is dan niet meer vertrouwd met het net, voelt zich er te weinig thuis. Het dilemma is: hoe krijgt Nederland 3 voldoende trekkracht, zonder dat het zijn identiteit verliest? Alle bespelers zijn op zoek naar mogelijkheden om het als `thuisnet' op te stuwen in de vaart der volkeren.''

Kamlag erkent dat ook `individueel ingestelde programmamakers' mede het karakter van het derde net moeten blijven bepalen, maar daar horen voor een breed publiek geprogrammeerde uitzendingen tegenover te staan. Hij noemt als voorbeeld de opvolger van de VPRO-dramaserie Hertenkamp. Ook staat er vanaf september een dagelijkse late-night-show met journalistiek entertainment op het programma, waarvan VPRO, NPS en VARA ieder zestig afleveringen gaan verzorgen. Ondanks het feit dat het niet is gelukt dit programma in gezamenlijkheid te maken, stelt Kamlag zich veel voor van het ,,bindend element'' van de late-night-show.

Rest de vraag hoeveel de nieuwe hoofdredacteur VPRO-televisie, Danielle Lunenborg, nog heeft in te brengen. Is de VPRO in deze structuur op weg een progressief productiehuis te worden? En hoeveel ruimte is er nog voor typische VPRO-televisie onder een steeds strakker zendermodel en een toenemend aantal in gezamenlijkheid gemaakte programma's?

Hoofdredacteur Lunenborg wil, zo kort na haar aantreden, nog niet op dergelijke vragen ingaan en verwijst door naar VPRO-directeur Peter Schrurs.

,,Als het profiel van Nederland 3 scherp genoeg is'', zegt Schrurs, ,,dan is het niet zo erg dat we geen eigen plek meer hebben. Belemmerend is wel de kijkcijfereis, die een rem zet op onze mogelijkheden op prime time. De vraag mag niet het aanbod bepalen. Wij willen programma's blijven maken waardoor je verrast, kwaad of ontroerd wordt. Die doelstelling is er niet gemakkelijker op geworden. Temeer omdat het strakke zenderschema weinig flexibiliteit biedt voor ad-hoc-programma's.''

De VARA heeft een andere visie op kijkcijfers dan de VPRO. ,,Zij programmeren voor een breed publiek'', stelt Schrurs. ,,Wij willen natuurlijk graag dat er naar ons wordt gekeken, maar we gaan onze programma's niet smakelijk verpakken, louter omwille van de kijkcijfers.''

Haalt een programma echter niet het beoogde marktaandeel, dan kan de zendercoördinator het naar een ander tijdstip verschuiven. ,,Die kijkcijferverplichting is voor ons een last'', geeft Schrurs toe, ,,al lukt het tot nu toe goed daar zonder oekazes mee om te gaan.''

Er is nog een verplichting waaraan ook de VPRO moet voldoen: 25 procent van het programmapakket moet volgens de mediawet afkomstig zijn van onafhankelijke producenten. Bij de VPRO bedraagt het aandeel buitenshuis geproduceerde programma's nu zo'n 12 procent. Schrurs: ,,Voor de VPRO, een omroep met een eigen smaak en kleur, een vervelende eis, temeer daar we door de flexwet ineens met veel mensen in vaste dienst zitten. En wij nu aanzienlijk minder hebben te besteden dan vorige jaren.''

Toch wanhoopt de VPRO-directeur niet, zolang in Hilversum het marktaandeeldenken niet toeneemt. En zolang bij de publieke omroep inzicht blijft bestaan in de essentie van zijn taak: onafhankelijk programma's maken die elders niet bestaan. Volgens Schrurs wordt dat onder druk van de kijkcijfereis van 40 procent voor de publieke omroep als geheel, nogal eens uit het oog verloren. ,,Dat is nu eenmaal het gevolg van het hybride karakter van het Nederlands omroepbestel, dat voor een derde afhankelijk is van STER-inkomsten.''

Ook in de wijze waarop de VPRO omgaat met zijn aanhang, die volgens de nieuwe concessiewet voor dezelfde hoeveelheid zendtijd nog maar 300.000 leden hoeft te omvatten, tekent zich een verandering af. Voor de traditionele omroepstructuur, waarbij de vereniging het laatste woord had, komt een lossere, veranderlijke klantenbinding in de plaats. Schrurs noemt voorbeelden: de wijze waarop via het internet-radiostation 3 voor 12 de liefhebbers van betere popmziek worden bediend. Het sponsoren en in journaals belichten van het Filmfestival Rotterdam en het IDFA. Een kijkmarathon voor Hertenkamp liefhebbers. Of voorvertoningen-met-maaltijd van VPRO-films. ,,Ons laten zien op dergelijke plekken is minstens zo belangrijk als ledenbinding. Het traditionele lid met het progressieve weekblad en dagblad is niet meer. Het familiegevoel is weg. Mensen richten zich meer ad hoc, gefragmenteerd op wat gaande is. Daar spelen wij op in, nadrukkelijk ook via internet. Over achtergronden van programma's als De Nieuwe Wereld, Andere Tijden, Noorderlicht en Villa Achterwerk kan je via internet veel meer te weten komen. Deze multi-mediavorm is nu de manier waarop wij ons met mensen verbinden.''

Vergelijk je de VPRO met een 75-jarige, dan is die vitaal, betrokken bij nieuwe media, maar aangepast aan de compromissen die deze tijd van de oude heer vraagt. Hij is wat bedaagd en heeft, anders dan in het verleden, enige moeite met jonge-honden-gedrag. VPRO-humor heeft, verdedigt Schrurs, een andere functie dan in de tijd dat Van Kooten en De Bie en Wim T. Schippers de dienst uitmaakten. ,,Vroeger had je twee netten, tegenwoordig dertig. Zo'n Rijdende Hufter van Waskracht is al ingehaald door de platvloersheid van SBS6 en de hufterigheid die je elders ziet. Dat we hierin zijn vastgelopen is geen teken van behoudzucht. Het is tegenwoordig veel ingewikkelder; er is een groter risico om missers te maken.''

OVT: 75 jaar VPRO, VPRO, zondag Radio 1, 10.04-12.07u.

VPRO jubileumprogramma, VPRO, zondag, Ned.3, 20.30-21.00u.