`Zijn' of`schijn' van man of vrouw

`Hij was een vrouw, die alvorens in de diplomatie te gaan, kapitein van de dragonders was geweest. Ondanks zijn grote politieke kennis en mannelijk gedrag, vermoedde ik dat er iets mis was met zijn manzijn', lezen we in deel negen van Casanova's Histoire de ma vie. De persoon die hier zo raadselachtig – is het nu een hij of een zij? – beschreven wordt, was de chevalier d'Éon, met wie Casanova rond 1763 in Londen moet hebben kennisgemaakt. In de achttiende eeuw genoot hij een dubieuze faam, omdat zijn tijdgenoten ervan overtuigd waren dat zich onder zijn mannenkleren een vrouwenlichaam verborg.

Als diplomaat en spion diende hij de Franse koning Louis XV, voor wie hij naar eigen zeggen in Rusland een geheime missie met succes had volbracht, door vermomd als vrouw de gunst van de tsarina te winnen. Daarna nam hij als kapitein van de dragonders deel aan de Zevenjarige Oorlog. En toen Casanova hem ontmoette, zat de chevalier d'Éon in Londen, waar hij verwachtte Zijne Majesteits ambassadeur te worden. Een verwachting die de bodem werd ingeslagen, toen een concurrent van minder twijfelachtige adel in zijn plaats werd benoemd.

Tijdens de affaire die hierop ontstond, een warboel van gekonkel, rechtszaken en chantage door d'Éon met geheime documenten, verspreidden diens vijanden het gerucht dat hij in werkelijkheid een vrouw zou zijn. Louis XVI, die in 1774 de troon besteeg, maakte een jaar later een eind aan alle onzekerheid door zijn afgezant Beaumarchais (de auteur van Le Mariage de Figaro) met d'Éon een contract te laten afsluiten, waarbij de laatste zich verplichtte voortaan nog uitsluitend als vrouw door het leven te gaan. Casanova lijkt het dus bij het juiste eind te hebben gehad, toen hij twijfelde aan het `manzijn' van de chevalier.

Hoewel hem enige competentie terzake moeilijk kan worden ontzegd, vergiste Casanova zich. D'Éon keerde terug naar Frankrijk en stak zich daar inderdaad op last van de koning in vrouwenkleren, maar toen hij in 1810 – stokoud en straatarm – te Londen overleed, bracht een autopsie aan het licht dat hij wel degelijk een man was geweest.

Sindsdien is er vlijtig gespeculeerd over wat hem kan hebben bewogen zich een groot deel van zijn leven als vrouw voor te doen. Was hij een travestiet? Was hij een transseksueel, die zich in de huidige tijd ongetwijfeld tot vrouw zou hebben laten ombouwen? Tegenwoordig zijn het vooral de genderstudies die zich over het geval d'Éon buigen, omdat het zo mooi de onduidelijkheid demonstreert van de scheidslijnen tussen de seksen.

Autobiografie

Ook de literatuur heeft zich niet onbetuigd gelaten. Diverse toneelstukken en romans, vaak in de vorm van fictieve memoires, zijn er al gewijd aan de chevalier d'Éon, die indertijd ook zelf het nodige heeft geschreven, waaronder een – tijdens zijn leven nooit gepubliceerde en door de specialisten als onbetrouwbaar aangemerkte – autobiografie. Dat alles heeft Paul Claes er niet van weerhouden om met zijn vierde roman De kameleon een nieuwe poging te wagen.

De chevalier d'Éon treedt zelf op als verteller; Claes' roman is de zoveelste fictieve versie van zijn memoires. In grote lijnen wordt het historische verhaal gevolgd: de geheime missie in Rusland, de deelneming aan de Zevenjarige Oorlog (toen d'Éon zich een dapper militair toonde), het conflict met de ambassadeur in Engeland, de terugkeer naar Frankrijk als vrouw in 1777 en tenslotte de laatste armoedige levensjaren in Londen. Het zeer vermakelijke relaas heeft de trekken van een typisch achttiende-eeuwse schelmenroman, in de trant van Louvet de Couvrays Les amours du chevalier de Faublas, vol intriges, verkleedpartijen, gevechten op het floret en libertijnse escapades.

Maar wat Claes het meest van al zal hebben aangesproken, dat is de onzekerheid (omtrent ouders, adeldom en sekse) van zijn hoofdpersoon. Weliswaar laat hij er geen twijfel over bestaan dat d'Eon een man is, een heteroseksuele man bovendien, die zich voor het eerst als vrouw verkleedt voor een carnavalsbal, bij wijze van grap. Maar wanneer hij vervolgens als `Lia de Beaumont' naar Rusland wordt gestuurd, blijkt hij zich dusdanig met zijn rol te identificeren dat hij weldra zelf niet meer weet wie of wat hij precies is.

Poedertjes

Als zodanig weerspiegelt d'Éon het hele Ancien Régime, dat door Claes niet toevallig een `maskerade' wordt genoemd, één groot toneelspel, waarin `schijn' en `zijn' amper uit elkaar zijn te houden. Ook het verschil tussen de seksen is er aan het wankelen geraakt. De mannen kleden zich als vrouwen, met hun pruiken, hun poedertjes en hun hoge hakken, terwijl de vrouwen, verwikkeld in verborgen lesbische relaties, zich voordoen als mannen. Zo wordt de jonge d'Éon, die bij gebrek aan baardgroei en lichaamsbeharing ook fysiek op een meisje lijkt, het hoofd op hol gebracht. Tenslotte ontdekt hij dat hij een vrouw alleen kan beminnen, wanneer zij zich als man en hij zich als vrouw heeft verkleed.

Deze eigenaardige vorm van perversie komt overigens uit de koker van Claes. Want voor zover bekend heeft de historische chevalier d'Éon een volledig kuis leven geleid. In zijn nagelaten geschriften ontpopt hij zich zelfs als een extreem vrome christen, die zijn ziel aan Jezus Christus toevertrouwt omdat Hem mannen en vrouwen even lief zijn. Dat christendom ontbreekt bij Claes, ongetwijfeld omdat de nu met zoveel smaak beschreven erotische capriolen dat onmogelijk zou hebben gemaakt.

Wat waarschijnlijk wèl klopt, is de geweldige ambitie van d'Éon. Claes suggereert dat diens travestie voor een niet onbelangrijk deel dááraan te danken zou zijn. Maar in de roman is iets anders minstens zo belangrijk: het spel. D'Éon noemt zichzelf ergens `een speler: niet de winst interesseert me, maar de spanning van het spel'. Of dat laatste ook geldt voor de historische d'Éon is nu niet meer te achterhalen, maar het geldt beslist voor Paul Claes.

Literatuur is bij hem in de eerste plaats een vernuftig spel, dat gebruik maakt van de ambiguïteit van de taal, van haar proteïsche vermogen tot metamorfose, waarbij de paradox als hoogste `waarheid' uit de bus komt. Dezelfde kwalificaties zijn van toepassing op de chevalier d'Éon en diens leven. Als `kameleon' belichaamt hij op een symbolische manier de literatuur, het spel waarin de speler voortdurend een andere gedaante aanneemt en zelf een ongrijpbare `tussenpersoon' blijft.

Bij d'Éon (die zichzelf in de roman meer dan eens zo'n `tussenpersoon' noemt) krijgt dat op den duur iets tragisch. Zo is het natuurlijk niet bij de schrijver Claes, wiens romans stuk voor stuk bestaan uit speelse maskerades, zij het vaak met dezelfde intrigerende ingrediënten: erotische perversie, een `Vatersuche' en een daarmee verbonden onzekerheid omtrent de eigen identiteit. Waar die ingrediënten vandaan komen? Allereerst uit de literaire traditie zelf, want telkens worden oude verhalen opnieuw verteld. Zo leverde de antieke Griekse roman de stof voor De sater (1993), een apocrief bijbelboek voor De zoon van de panter (1996), de humanistische kabbala voor De phoenix (1999). In De kameleon is het de beurt aan de achttiende-eeuwse memoires en schelmenromans.

Let je op de chronologie, dan zou je kunnen concluderen dat Claes voor zijn volgende roman bij het heden te rade moet gaan. Een goede gelegenheid wellicht om de inzet eens te verhogen en voor het eerst onze met elk boek groter wordende nieuwsgierigheid naar de speler te bevredigen. Tot nu toe hebben we alleen mogen genieten van zijn kameleontische spel.

Paul Claes: De kameleon. De Bezige Bij, 241 blz. ƒ32,50

Nederlandse literatuur