Voorbij de rand van het eigen bestaan

`Ik schrijf te veel' oppert Leo Vroman in zijn nieuwste dichtbundel De gebeurtenis en andere gedichten. De 86-jarige dichter lijkt zich voor zijn in totaal met 1600 gedichten `grijsgeschreven' pagina's een beetje te schamen, tot hij de bundel besluit met een algehele overpeinzing over dichten: `Waarom? Waarom?/ En waarom niet'. Wie wat te vertellen heeft, zwijgt immers niet.

Leo Vroman hééft wat te vertellen. Met zijn niet geringe leeftijd overziet hij misschien nog beter dan anderen wat het leven behelst. Vroman dicht over de onzin van oorlog (`Oorlog schijnt vervloekt geboren') en over de onbegrijpelijkheid van de dood, zoals in het gedicht `Een psalm voor het moment', waarin hij zich afvraagt hoe het zal zijn als alles voor hem stilstaat: `zal er dan een heimwee wezen/ naar dingen die nog konden vallen?/ Of zal zich eensklaps achter deze/ een dimensie openbaren/ die alle andere kan verklaren// en moet ik daarin stijgen, dalen,/ en griezelen van ruimtegruis,/ waarheen mag ik dan verdwalen?'

Vroman dicht over taal in een taal die zelf aan verandering onderhevig is (hij leeft al een halve eeuw met zijn vrouw Tineke in Amerika). Soms volgt na een Nederlands gedicht een Engelse vertaling, soms is het andersom, en af en toe drijven er middenin het Nederlands Engelse woorden boven; de studeerkamer wordt `study' en een aardappel `een rotte potato'.

Een ander thema is het idee dat de mens bestaat uit cellen en atomen. Dit vormt de basis van een fysiologisch geloof, waarvan Vroman al in eerdere bundels getuigde. Zijn psalmen spreken geen God, maar het `Systeem' aan. Vroman (ook bloedonderzoeker) ziet de werkelijkheid als een optelsom van biologische gegevens. Samen vormen die een systeem dat nauwelijks te vatten is: `Gehoorzaam luisteren al mijn cellen/ naar wat ze aan elkaar vertellen/ maar ik die daar de som van ben/ weet dat ik daar geen woord van ken,// ik die hun heelal moet wezen/ kan geen letter van ze lezen'.

Mijlendiep

Vroman weet deze vertrouwde, ook in ander werk voorkomende thema's in nieuwe jasjes te steken. Na de gedachte `o, dit ken ik al' wordt de lezer verrast door een ongekende frisheid en vernieuwing. Vernieuwing klinkt een beetje vreemd voor een dichter van zo'n leeftijd, maar Vromans poëzie is allesbehalve oud. Hij toont een bijna kinderlijk plezier in dichten, terwijl hij evengoed mijlendiep een onkenbaar universum in duikt. De tegenspraak (niet religieus zijn en toch geloven, een `verdroogde vent' die dicht in jonge taal, een leven zoeken in de dood, kinderlijk plezier tegenover melancholische diepgang) maakt de gedichten divers en ongrijpbaar. Vroman is dan ook in geen enkel ander hokje te plaatsen dan in het hokje Vroman. Want zijn gedichten mogen soms wel lijken op die van Rutger Kopland (verbazing over de schone eenvoud van het leven), op die van Toon Tellegen (door de minifabels waarin dieren ironisch tot leven komen) of zelfs af en toe op de tragisch-humoreske gedichten van Piet Paaltjens, uiteindelijk blijft Vroman toch vooral zichzelf: de ongrijpbare genieter. Ieder gedicht is voor hem een experiment. Soms leidt dat tot een onbegrijpelijke, maar zeer spannende neologismenstapeling (`Neutja als uw bap verwijpt'), soms tot Sinterklaasrijm (meestal daar waar spreektaal ingemoffeld is), maar in de meeste gevallen nestelen de gedichten zich diep in je maag. Zoals de laatste strofe van het gedicht `Winter':

Hoe koud en kort en onverwacht

valt deze winter, en hoe zacht,

als sneeuw die nooit meer water wordt

wanneer het nooit meer later wordt.

De bundel van 170 pagina's kent wat flauwige experimenten, maar dat vergeef je Vroman. Niet alleen omdat de overige gedichten zo overweldigend liefdevol en alles-omvattend zijn, maar vooral omdat hij uitblinkt in zelfrelativering. ``Hou op! Hou op!!/ Hou op met praten/ en vooral dat rijmen!!!', laat hij de dialoogpartner in het dichtverhaal `Bij duizenden' zeggen, terwijl hij zich evenmin schaamt zichzelf te vergelijken met een `Zwarte Piet'. Dat is ontwapenend, en tegelijkertijd weet de trouwe Vromanlezer ook wel dat deze dichter weliswaar dóet alsof hij de gedichten losjes uit zijn mouw schudt, maar uit vele studies en een bijzondere uitgave waarin de vorming van een gedicht gevolgd kon worden (Bij duizenden, Uitgeverij Herik), weten we dat Vroman zijn woorden wikt en weegt tot ze lucht, souplesse en snelheid uitstralen. Alliteratie, binnenrijm en met name eindrijm dragen bij aan de ogenschijnlijk eenvoudige cadans. Maar Vroman is de meester van de maskerade: achter de eenvoud schuilt de diepgang. Zo lijken zijn gedichten heel persoonlijk, ze gaan over Tineke, over kleinkinderen en de kleine dingen van het leven, terwijl hij juist dit soort individuele gebeurtenissen gebruikt om de universele mens te raken.

Het meest ontroerend aan deze nieuwe bundel zijn de gedichten waarin Vroman blikt over de rand van zijn eigen bestaan. Levenslustig als hij is, probeert hij het leven los te laten en zich voor te stellen hoe het zal zijn om afscheid te nemen. `Stel dat niets een einde heeft' begint hij een hoopvol gedicht waarin hij zoekt naar hoe het zal zijn in een andere staat dan de aardse, die wij met onze zintuigen noch met onze fantasie kunnen bevatten (alweer die paradox). Je voelt je nietig worden, klein en onwetend, als je ziet hoe Vroman zo luchtig over zijn eigen dood dicht. Niet dat hij zoveel weet, ook hij is zoekende. Zonder zicht op het verleden en zonder kennis van de toekomst lijkt hij in een benijdenswaardige luchtledigheid te verkeren, waardoor hij op een andere manier kan kijken: `de achterkanten/ van wat we doen/ bestaan uit alle kranten/ van de eeuwigheid/ vreselijk samengeperst/ tot een verleerde laag/ en die wordt nooit ververst'. Vromans gedichten zullen uiteindelijk worden samengeperst in de huid van de lezer, en omdat er dan nog maar zo'n dun laagje overblijft, zal Vroman hopelijk nog heel veel meer schrijven. Van deze gedichten zijn er nooit te veel.

Leo Vroman: De gebeurtenis en andere gedichten. Querido, 173 blz. ƒ45,–

Nederlandse literatuur