`Tsjwang-tse maakt kortsluiting in de logica'

Montaigne-vertaler Hans van Pinxteren, liefhebber van de Chinese filosoof Tsjwang-tse, ontvangt vandaag de dr. Elly Jafféprijs.

,,Ik ben nog niet klaar met Michel de Montaigne', zegt dichter-vertaler Hans van Pinxteren. Momenteel legt hij de laatste hand aan de vertaling van het achtste deel van de essays van de zestiende-eeuwse Franse schrijver. Nog drie delen zullen er volgen, eind 2004 moet de volledige Montaigne vertaald zijn. De Dr. Elly Jafféprijs 2001 is toegekend aan Van Pinxteren, in het bijzonder voor Ik ben nogal klein van stuk van Montaigne, en voorts voor zijn hele vertaaloeuvre. De prijs, groot 100.000 gulden, wordt voor het eerst uitgereikt.

Van Pinxteren begon aan zijn eerste vertaling in 1969. Een dirigent die Benjamin Brittens Illuminations ging uitvoeren, vroeg de 26-jarige student Frans de prozagedichten van Rimbaud waarop Britten zijn muziek had gebaseerd te vertalen. Rond die tijd maakte Van Pinxteren ook kennis met de Chinese filosofie, vertelt hij. ,,Ik las een interview in De Revisor met de dichter Hans Andreus, die zich ook met Rimbaud had beziggehouden. Andreus vertelde over zijn fascinatie voor de Chinese filosofie. In die periode ben ik begonnen met het lezen van Lao-tse en Tsjwang-tse, de taoïstische filosofen. Vooral de laatste heeft me enorm gegrepen door zijn humor en wijsheid. Tsjwang-tse geeft de praktische uitleg van de meer abstracte gedachtegang van zijn voorganger, Lao-tse. Net als Lao-tse's Tau-te-tsjing bevat het werk van Tsjwang-tse paradoxen, maar hij is veel aanschouwelijker. Tsjwang-tse vertelt ook fabels en anekdotes.

,,Tsjwang-tse vertelt enkele verhalen over Lao-tse, maar die zijn niet allemaal bewonderend. Zo is er het mooie verhaal dat Lao-tse dood is en dat er een vriend van hem op rouwbezoek gaat. De vriend komt binnen, er zitten allemaal mensen te huilen en te klagen. Hij verwekt daar nogal opschudding door nauwelijks zijn deelneming te betuigen, na drie korte rouwkreten geslaakt te hebben gaat hij weg. Er komt iemand achter hem aan die vraagt, u was toch de beste vriend van Lao-tse, en het is toch de grootste leraar die we hebben? Dat dacht ik eerst ook, antwoordt de vriend, maar nu ik iedereen zo zie klagen valt dat nogal tegen. Dat betekent dat hij de aandacht op verkeerde dingen heeft gericht.'

Het ware boek van het zuidelijk bloemenland, zoals een van de mogelijke titelvertalingen luidt, is een collectie wijsgerige teksten die aan één persoon is toegeschreven, genaamd Tsjwang-tse (ca. 369-286 v.Chr.). De eerste zeven hoofdstukken worden als min of meer canoniek beschouwd. Daarin zet Tsjwang-tse zijn `innerlijke leer' uiteen, waarmee hij naar de centrale belevenis verwijst die aan gene zijde van het rationele denken ligt. Van Pinxteren: ,,Het is geen systematische wijsbegeerte. Tsjwang-tse is heel praktisch ingesteld. Daar zie ik een verband met Montaigne, die bedrijft ook een praktische, niet-systematische wijsbegeerte. In Tsjwang-tse's verhalen wordt kortsluiting gemaakt in de logica, en dat is ook wat het humoristische ervan uitmaakt.'

,,Neem nu zo'n anekdote als die over de man die het drakendoden onder de knie wilde krijgen. Daar had hij zijn hele vermogen voor over. En eindelijk, na drie jaren had hij het geleerd. Toen bleek er nergens een draak te vinden. Zulke verhalen zijn toch prachtig? Toen ik klaar was met de romans van Flaubert, had ik het liefst Tsjwang-tse vertaald, maar ik ken geen Chinees. Dus toen de uitgever mij vroeg Montaigne te vertalen, heb ik grif ja gezegd. Montaigne is de meest Chinese Fransman die ik ken. Tsjwang Tse brengt door de paradox en zijn humor implosies in het denken te weeg. Daarmee creëert hij ruimte. Montaigne creëert ook ruimte, maar op een andere manier. Die zegt: ik wil zelf denken, zelf bepalen hoe ik mij in dit leven op moet stellen.'

De leer van Tsjwang-tse lijkt wel wat overeenkomsten te vertonen met het Griekse stoïcisme. ,,Tsjwang-tse is geestiger dan de stoïcijnen', zegt Van Pinxteren, ,,hij is niet zo belerend. Bij Tsjwang-tse en Montaigne kun je de gedachte vinden dat je zo natuurlijk mogelijk moet leven, zo dicht mogelijk bij de natuur. Montaigne stelt het natuurlijke echter niet tegenover de beschaving, zoals Rousseau. Je moet Montaigne zien als iemand die in de verstoorde tijd leeft van de bloedige godsdienstoorlogen in Frankrijk, en daarop reageert door te zeggen: laten we zo helder mogelijk blijven denken, ons niet door onze hartstochten laten meeslepen. Ook bij taoïsten als Tsjwang-tse, en bij de stoïcijnen, staat de wijze mens boven zijn hartstochten.

,,Tsjwang-tse pleit er voor je boven een subjectief standpunt te verheffen, om de relatieve samenhang van alles te aanschouwen. Het is niet zo dat ik dankzij die leer vertalen kan, maar ik denk wel dat ik er iets van geleerd heb. In ieder geval moet je om een goede vertaling te maken in staat zijn even naast jezelf te stappen. De dingen te zien zoals de auteur die je vertaalt ze zag. Bij Tsjwang-tse kun je allerlei verhaaltjes vinden over hoe je een goed product maakt. Hij neemt het voorbeeld van de kok die een rund slacht, op zo'n manier dat het mes scherp blijft. De kok zegt, ik zorg dat ik de ruimte vind tussen de geledingen in, en daar heb ik een bepaalde tijd voor nodig. Zo kun je zeggen dat ik bij het vertalen probeer de ruimte tussen de woorden in te vinden.'

Nadat Van Pinxteren Rimbauds Illuminations had vertaald, vroeg uitgever Johan Polak hem om Salammbô van Gustave Flaubert te vertalen. ,,Aan Salammbô heb ik het langst gewerkt, drie jaar lang, dag en nacht. Over Madame Bovary heb ik later maar anderhalf jaar gedaan. Ik bewonder Flaubert zeer maar ik moet zeggen dat ik het niet mis dat ik hem nooit ontmoet heb. Terwijl ik denk als ik Montaigne lees: die zou ik best als vriend gehad willen hebben.'

In Tsjwang-tse staat het beroemde verhaal over de droom van de vlinder. Dschuang Dschou droomt dat hij een vlinder is. Dan wordt hij wakker en vraagt zich af, of hij werkelijk gedroomd heeft dat hij een vlinder was, of dat de vlinder nu droomt dat hij Dschuang Dschou is. Van Pinxteren: ,,Als je je als vertaler een tijd lang in een auteur verdiept, loop je het risico dat je je met hem gaat identificeren. Althans dat was in het begin van mijn vertalerscarrière zo. Toen ik klaar was met de Illuminations kwam ik in een positie die vergelijkbaar is met de positie die Tsjwang-tse beschrijft. Wie is nou Hans van Pinxteren? Droom ik dat ik Rimbaud ben, of droomt Rimbaud dat hij Hans van Pinxteren is? Dat is een grapje, natuurlijk. Maar het is wel zo dat ik echt tot mezelf moest komen. Later heb ik dat proces meer in de hand gekregen. Ik droom niet dat ik Montaigne ben. Montaigne is iemand die je als lezer voortdurend met jezelf confronteert.'

Dschuang Dsi (Tsjwang-tse): Südliches Blütenland. Vertaald uit het Chinees door Richard Wilhelm. Eugen Diederichs Verlag (1974), uitverkocht. Zhuang Zi (Tsjwang-tse): De innerlijke geschriften. Vertaald door Kristofer Schipper. Meulenhoff (1997), 165 blz. ƒ44,50

    • Martijn Meijer