Stilstaan bij tijd, spijt en herinnering

De meeste hoofdpersonen in de romans van scenario-, roman- en columnschrijver Thomas Verbogt (1952) lijken een beetje op de auteur. Ze hebben beroepen die overeenkomen met die van hem, meestal zijn ze van zijn leeftijd en gefascineerd of zelfs geobsedeerd door het ongrijpbare van het fenomeen tijd. En vrijwel altijd komt de behoefte van zijn personages om de tijd op zijn staart te trappen voort uit een traumatische jeugdervaring. Uren, dagen, maanden, jaren vlieden als een schaduw heen.

Verbogts nieuwste roman heet dan ook Onze dagen. Daarin komen we de ongeveer 45 jaar oude Wouter Stevens weer tegen die al figureerde in De verdwijning (1999). Van een bijfiguur – over wie weinig anders werd verteld dan dat hij een huis in Arnhem had uitgeleend – is deze Stevens nu de in de ik-vorm vertellende hoofdpersoon geworden. Inmiddels woont hij in Amsterdam waar hij les geeft aan de theateracademie en toneelstukken regisseert. Aan de aantrekkelijke toneelschrijfster Raymonda Halpert, wier stuk De reünie hij gaat regisseren, vertelt hij over de snelheid van zijn leven en over de soms verlammende volheid ervan. Die `verlammende volheid van het leven' lijkt op Kundera's `ondraaglijke lichtheid van het bestaan'.

Naarmate hij ouder wordt, komt Stevens erachter dat de toekomst niet eindeloos is en dit besef maakt het verleden steeds belangrijker. `We willen graag dat wat we meemaken en wie we zijn herinnerbaar blijft', denkt hij. `Het waait allemaal weg als je even niet oplet.' We letten meestal niet op, dat is het verschrikkelijke, want – zo gelooft Wouter – je bent wat je je herinnert. Als je jezelf niet toestaat bij de herinnering stil te staan, ben je bezig te verdwijnen.

Daar is natuurlijk het een en ander tegen in te brengen. Ten eerste is het maar de vraag of herinneringen iets met de werkelijkheid uitstaande hebben en voorts weten we niet wat al dat zich herinneren aanricht. In een gesprek met zijn achttienjarige stiefdochter Hester houdt Wouter haar voor dat iemand zich momenten moet herinneren die uitsteken boven de tijd die men achter zich heeft. `Het meeste vergeet je. Het meeste gaat gewoon voorbij. [...] Je denkt dat je het kunt pakken, maar daar moet je moeite voor doen. En terwijl je dat beseft, beseft dat je het beseft, is het te laat, en is er weer nieuwe tijd voorbij aan het gaan.'

Beseffen dat je iets beseft ... , zoiets kan gekmakend zijn. Iemand die een voortdurend besef heeft van tijd, loopt het gevaar krankzinnig te worden. Zo ver komt het in eerste instantie niet met Wouter, maar wel met zijn geëxalteerde Academie-leerlinge Michaela van der Jagt. Evenals de andere vrouwen in Wouters leven, is Michaela een metafoor voor het ervaren van tijd. Zij leeft in een tijdloos vacuüm. Sylvia, Wouters manisch-depressieve vrouw, heeft aan sommige episoden geen herinneringen, tijd betekent voor haar iets totaal anders dan voor Wouter. Als haar psychiater van plan is haar vier jaar bij haar moeder te laten wonen en Wouter geschrokken op deze langdurige scheiding reageert, zegt ze: `Wat is nou vier jaar in een leven?'. Voor de prostituee Tasja telt verleden noch heden. Zij zit alleen maar `in het leven' om een toekomstdroom te kunnen verwezenlijken. Ook voor stiefdochter Hester geldt vooral de toekomst, al is zij wel degene die Wouter een pen cadeau doet die tevens memo-recorder is, een van de belangrijkste symbolen in het boek voor het vastleggen van herinneringen.

En dan is er Thera. Vijftien jaar geleden heeft ze vier jaar een relatie gehad met Wouter, door hem aangeduid als `onze jaren'. Niet duidelijk is of Thera echt bestaat of dat ze een fantasie is van Wouter (er dringt zich een associatie op met Multatuli's Woutertje Pieterse en diens Femke).

Als Wouter zich op de rand van een crisis bevindt duikt als een schim uit het verleden ineens Thera op. Ze zegt stervende te zijn aan een hersentumor en nodigt Wouter uit om vier geluksmomenten uit `onze dagen' met haar te herbeleven. Verbogt beschrijft een paar van die `volmaakte momenten' uit het verleden, bijvoorbeeld een wandeling over Brooklyn Bridge in een gloed van licht. `Het waren momenten van goud. De East River lag als een collier in de stad.' Als ze vervolgens die wandeling in het heden opnieuw maken is het een bewolkte namiddag en dat is lang niet het enige verschil. Een herinnering `ontwerp' je kennelijk op het moment zelf, een herinnering valt nooit meer in te halen. Of, zoals Wouter het formuleert als hij samen met Thera in een café zit met uitzicht op een blinkende Amstel: `Alles verandert maar en verandert maar. Misschien sta ik daarom wel bij zo weinig lang stil.' Panta rhei.

Evenals in veel van Verbogts vorige boeken is het een traumatische gebeurtenis in het verleden die zijn hoofdpersoon zo overbewust heeft gemaakt van tijd en spijt. Spijt heeft hij met name over zijn (vermeende) aandeel in de plotselinge dood van zijn moeder, die er dieper in hakt dan welke gelukkige herinnering aan haar dan ook. Het liefst zou Wouter het credo van zijn vader volgen: zo leven dat je je voortdurend op de rest daarvan kunt verheugen. Helaas is dat voor de meeste mensen een illusie.

Onze dagen, over Wouters desillusie, is een strak gecomponeerd maar in al zijn eenvoud bewogen boek. Hoewel het maar drie jaargetijden beslaat (van de vroege herfst 2000 tot begin mei 2001) trekken er in snelle, levensechte dialogen en terugblikken tragische levens aan de lezer voorbij. De roman heeft een open einde: of Wouter gelouterd uit zijn crisis komt of eraan ten onder gaat, wordt niet duidelijk. We komen slechts te weten dat hij tijdens een auto-ongeluk van de weg raakt en zich voorneemt die weg terug te vinden.

Dit einde, een nogal opzichtige verwijzing naar de `rechte weg' en `het goede pad' is het enige aan Onze dagen dat ik clichématig vind. De rest – dat eeuwige getob over tijd, herinnering, zingeving – is weliswaar niet nieuw of verrassend maar, mede dankzij Verbogts spreektalige stijl en de subtiele gevoelens van zijn personages, authentiek, melancholiek en roerend.

Thomas Verbogt: Onze dagen. Veen, 252 blz. ƒ34,90

Nederlandse literatuur