Slechte kunst is de dood

Ideeën, gevoel en humor – ze vormen een drieëenheid in de kritieken van Martin Amis. Van de besproken boeken in deze kruistocht tegen de stoplap ligt vaak niemand meer wakker, maar sommige van de recensies zijn kunststukjes.

Saaiheid is de werkelijke vijand. Over de literaire kritiek wordt onophoudelijk geklaagd, schrijft Martin Amis in The War Against Cliché, zijn verzamelde kritieken van de afgelopen dertig jaar: recensies in dag- en weekbladen zijn te oppervlakkig, ze zijn niet terzake, ze zijn te weinig academisch, ze zijn schaamteloos brutaal, te weinig objectief, onoprecht, enzovoort. Allemaal waar, maar die veelgehoonde gebreken doen nauwelijks afbreuk aan de status van de literaire kritiek. Het ergste dat je volgens Amis de lezer kunt aandoen, en dat geldt voor schrijvers in het algemeen, is hem vervelen. `The literary pages throng with people about whom one has no real feelings either way – except that one can't be bothered to read them.'

Gelijk heeft hij, maar het klinkt ook benauwend, de literaire criticus als stand-up comedian, die zijn zinnen de zaal in spuugt, steeds sneller, steeds wanhopiger, omdat er vooraan een vrouw haar lippen zit te stiften en op rij drie een man zit te knikkebollen. Liever het bedaagde aftasten van een academicus, zou ik zeggen, dan de hyperventilerende woordkunst van de criticus die de stilte vreest, die met iedere zin een stapje dichter bij zijn publiek probeert te komen. Amis bedoelt het subtieler, gelukkig. Hij prijst John Updike, een van de schrijvers die in The War Against Cliché een heel hoofdstuk krijgt toebedeeld, omdat die in zijn literaire kritieken laat zien dat dat is wat kritieken kunnen zijn: literair. Amis: `At a time when the reviewer's role has devolved to that of a canary in a pre-war coalmine, Updike reminds you that the review can, in its junior way, be something of a work of art, or at least a worthy vehicle for the play of ideas, feeling and wit.'

Ideeën, gevoel, humor, dat willen we allemaal, het liefst alledrie tegelijk. Amis heeft ze alledrie tot zijn beschikking.

In het overvolle The War Against Cliché vormen ze een verbluffende drie-eenheid – alleen zijn ze, net als in Amis' romans, niet helemaal gelijk verdeeld. Heel veel humor, een redelijke hoeveelheid ideeën en zo nu en dan wat gevoel. Anders dan zoveel andere Engelse schrijvers weerstaat Amis de neiging zijn gevoelsschaarste aan te vullen met sentimentaliteit (behalve, helaas, in Experience, zijn autobiografie), zodat je goed moet zoeken tussen de briljante komische formuleringen en de vlijmscherp geformuleerde gedachten naar een opwelling van werkelijk navoelbare empathie met een besproken auteur of boek.

Hoewel hij zich in zijn stukken die niet over literatuur gaan in laatste instantie een min of meer correcte humanist toont, die het beste met de mensheid voorheeft en er geen enkel extreem standpunt op na lijkt te houden, keert hij zich in zijn literaire kritieken meermalen tegen de schrijvers van de goede bedoeling, die hun werk koste wat het kost levensbevestigend willen maken. De auteurs die Amis bewondert, we wisten het al, zijn vooral de moderne meesters van stijl en vorm, schrijvers als Joyce, Nabokov en Bellow, en het is waar dat hun meesterschap je niet meteen naar een zakdoek doet grijpen – behalve Bellow natuurlijk. Het oeuvre van Bellow zit tjokvol ideeën, humor en gevoel. Wanneer je The War Against Cliché hebt gelezen, begrijp je nog beter dat het voor Amis zoiets als de Heilige Graal moet zijn, een lichtend voorbeeld, altijd voor hem zwevend, maar ook altijd net even buiten zijn bereik.

Keukentafel

The War Against Cliché is de derde bundel literaire journalistiek die Amis laat verschijnen. Deze bundel bestrijkt zijn gehele schrijversloopbaan, van 1971 tot 2000, zodat aanvankelijk argwaan de kop opsteekt. Heeft de schrijver zijn laden nog een keer echt goed doorgezocht? Komt er al niet genoeg rook uit de schoorsteen van Amis? Moest er weer aan een of ander megacontract voor een reeks boeken worden voldaan? Misschien. Tegen deze dikke bundel vallen gemakkelijk de bezwaren in te brengen die Amis zelf heeft tegen een vroege bundeling van recensies en essays door Updike. Sommige kanttekeningen doen het beter in de krant dan in een boek. Sommige hobby's komen beter tot hun recht aan de keukentafel (Amis' fascinatie met het Engelse voetbal en de hooligans, bijvoorbeeld, is nu komisch maar vooral puberaal en ook van een stuk over poker kan ik me nu al niets meer herinneren.)

Een aantal boeken waarover Amis schrijft, is, mede door de dodelijke recensie van Amis, zoveel jaar later in de verste uithoeken van ons bewustzijn beland of nog verder – die titels zeggen je weinig of helemaal niets meer. Het is niet gemakkelijk je oren te spitsen wanneer zich een bespreking van een vergeten meesterstuk van John Fowles of Iris Murdoch aandient of je een twintig jaar na dato geconfronteerd wordt met de nieuwste bestseller van Fay Weldon. Toegegeven, terwijl het nu lijkt alsof Amis met een kanon op een mug schiet, schoot hij in werkelijkheid met een katapult op wat toentertijd nog een reus leek, maar dat helpt niet echt. Literaire journalistiek kan nog zo literair zijn, het blijft journalistiek. Een aantal recensies van verschillende boeken van, bijvoorbeeld, William Burroughs of J.G. Ballard, kunnen nog zulke pregnante inzichten bevatten – en dat doen ze – ze doen daarom des te meer verlangen naar een volwaardig essay over die schrijvers.

Het zijn dan ook de lange stukken die het boek ruggegraat geven, de essays over de gefnuikte dichter Philip Larkin, over Lolita, over The Adventures of Augie March. De vroege Amis, die van het begin van de jaren zeventig, slaat wild om zich heen, maar leent een hautaine zelfgenoegzaamheid van zijn vader Kingsley, zodat hij tegelijk vreemd ouwelijk klinkt. De middelbare Amis, die deze bundel samenstelde, is me weer te mild geworden, vooral voor zichzelf: driehonderd pagina's literaire kritiek was genoeg geweest.

Maar net als bij Updike is het de geest van de schrijver die al dit dagwerk bijeen houdt. Driekwart van de verzamelde stukken gaat over literatuur en die maken The War Against Cliché wel degelijk tot een boek. Want dat is wat Amis wil, en gezien zijn vroegste stukken, altijd gewild heeft: over literatuur schrijven als literatuur. Dat klinkt gemakkelijker dan het is, want goede literatuurkritiek gaat over literatuur als kunst, niet over literatuur als een journalistieke documentaire, niet over literatuur als recept voor een beter leven, niet over literatuur als biografische roddel. En schrijven over literatuur als kunst is hondsmoeilijk, net zo moeilijk als schrijven over beeldende kunst; vandaar dat veel recensenten veel liever om het boek heen schrijven. Als ze het echt niet meer weten, vertellen ze het verhaal na.

Veldtocht

Amis vertelt in zijn kritieken vrijwel nooit het verhaal na. Literatuur is voor hem autonoom, ze verwijst niet direct naar het leven, de zinnen en woorden, de vorm en stijl, ze zijn het leven. Vandaar Amis' aanhoudende veldtocht tegen het literaire cliché, de sleetse frase, de verbale stoplap. Geen recensie van Amis of er volgt ergens wel een opsomming van dode woorden en zinnen die de schrijver gebruikt. Binnen de context van dit boek lijkt dat aanvankelijk op obsessieve frikkerigheid, maar gaandeweg blijkt het een principe. De kunstenaar schuilt voor hem in het detail. Amis huldigt de meesters van de taal. Voor hem is slecht schrijven zoiets als een misdaad tegen de schepping. Als je The War Against Cliché leest, krijg je het gevoel dat bij Amis existentiële wanhoop niet toeslaat bij de gedachte aan een leeg en zinloos universum, maar bij het lezen van een dode zin. Het een heeft met het ander te maken, zal hij ongetwijfeld antwoorden – en hij heeft gelijk. Literatuur, kunst, is voor hem leven scheppen in de meeste letterlijke zin. Slechte kunst is de dood. Er zijn buiten de literatuur al teveel woorden die niets meer betekenen.

Valt die oorlog nog te winnen, de guerrilla tegen het cliché? De romancier Amis is op zijn best wanneer hij de dreigende catastrofe omarmt, het jammerlijke falen van het veelbelovende talent en de kolossale wezenloosheid van de massacultuur. Net zo maakt hij in The War Against Cliché van de clichés van anderen zijn eigen feest van woorden. Veel van zijn recensies zijn inderdaad kunststukjes, ook al ligt van de besproken boeken niemand meer wakker. Want dat is wat Amis, ondanks zijn mislukkingen, nog altijd tot een belangrijk schrijver maakt: zijn vermogen om wat in onze cultuur zo verpletterend dood lijkt door middel van taal weer nieuw leven in te blazen. The War Against Cliché is daar het bewijs van. Er staat, om een cliché te gebruiken, geen saaie zin in.

Martin Amis: The War against Cliché. Essays and Reviews, 1971-2000. Jonathan Cape, 506 blz. ƒ49,95

Kritiek