Onder het mes

Ondergangsprofeten beleven gouden tijden. De beschaving, en dan vooral de literatuur, moet worden gered van de markt. Maar ook als `de grote Satan' ons nog niet te grazen heeft genomen, is daarmee niet gezegd dat alles op rolletjes loopt. In de bibliotheken dreigt de guillotine.

Als er een intellectuele aandelenmarkt zou zijn, dan was het fonds cultuurpessimisme er ongetwijfeld de populairste investering. Als handelaren met voorkennis sluiten de beleggers van het geestelijk leven zich aan bij uiteenlopende onheilsprofetieën. Ze verdedigen alle waardevolle verworvenheden uit het verleden, tegen de dreigende verkwanseling ervan door toekomstige generaties. Deze veilige beleggers speculeren op het verleden, want de toekomst kan alleen maar tegenvallen.

Nu heeft de Westerse cultuur een goede traditie van doemdenken: van het religieus beargumenteerde einde der tijden tot – de laatste halve eeuw – de wat concretere bedreigingen als de atoomoorlog. Het pessimisme van de huidige publicisten richt zich op de nakende ondergang van onze culturele waarden.

Soms gaat het – om de beursvergelijking nog even door te trekken – om investeringen in een, tamelijk geïsoleerd aandeel, zoals Albert Cuyps tekening van Dordrecht uit de zeventiende eeuw, maar meestal kiest men voor het soort combinatiepakketten waarin de niet-professionele belegger zijn geld in onderbrengt: de verdediging van grote, veelomvattende zaken, zo groot en veelomvattend dat iedereen ze een warm hart toedraagt.

Het populairste – en grootste – pakket is de (ondergang van de) beschaving. Het meest recente voorbeeld in de opinievorming dienaangaande was het artikel van de stichting `Stop de uitverkoop van de beschaving' dat op 1 mei in deze krant werd gepubliceerd door een twintigtal personen, zoals Jan Marijnissen, Freek de Jonge en Arjo Klamer. Die uiteenzetting eindigde in een oproep om iets te redden (de beschaving) waarvan in het voorgaande vooral duidelijk was gemaakt dat het `een kleed' was, dat we samen geweven hebben en dat nu rafelt. Het reddingsplan zelf bleef abstract, buiten scherpe veroordeling van `de markt' en de oproep aan `iedereen' om zijn vertrouwen weer in de staat te stellen.

Het favoriete deelgebied van de bedreigde beschaving is – met wellicht het onderwijs – de wereld van de schone letteren. En ook in de verdediging daarvan speelt de combinatie van rancune tegen de markt en de roep om een staatsmedicijn een belangrijke rol. Zeker in het meest verbazingwekkende cultuurpessimistische stuk van het afgelopen jaar, het essay (in deze krant verschenen op 17 november) waarin Rudy Kousbroek de Verenigde Staten als `de grote Satan' aanwees en verklaarde in wijlen de ayatollah Khomeini een bondgenoot gevonden te hebben. Dat bleek geen eenmalige uitbarsting. Kousbroek meldde later weliswaar dat zijn steunbetuiging aan de mede door de vervolging van Salman Rushdie in schrijverskringen niet bijzonder geliefde Khomeini als `ironie' gelezen moest worden, maar vaart nog altijd een ramkoers tegen de VS. En wie het daar niet mee eens is, tsja, die wil de waarheid gewoon niet horen.

Dat onderstreepte hij vorige maand bij een debat in Amsterdam, ter gelegenheid van de presentatie van het boek Verboden te lezen! van Dubravka Ugrešic. Want, in de stroom aan pessimistische publicaties die slechts bij uitzondering de lengte en diepgang van een krantenpagina overstijgen, zou je haast vergeten dat er ook nog mensen zijn die hun ondergangsprofetieën uitwerken tot een heel boek. En dat ook als de grote satan ons nog niet te grazen heeft genomen, daarmee niet is gezegd dat alles op rolletjes loopt. Een ander serieus boek uit de ondergangsindustrie is Double fold van de Amerikaanse schrijver Nicholson Baker. Die zorgde in de afgelopen weken in zijn geboorteland voor de nodige opschudding door de plaatselijke bibliotheken te beschuldigen van de massale vernietiging van het (papieren) erfgoed. De boeken van Ugrešic en Baker laten mooi zien tot hoe ver het risicoloze fonds cultuurpessimisme reikt en waar het reëel bestaande onheil zich bij de profetie voegt.

De in Kroatië geboren, nu in Amsterdam wonende en veelvuldig onderscheiden Ugrešic (1949) brengt haar klaagzang over de teloorgang van de oude literaire cultuur met verve. Voor een boek dat volgens de achterflap stelling neemt tegen `het dreigende einde van de boekencultuur' is Verboden te lezen! een opmerkelijk onderhoudend boek. Ugrešic fulmineert tegen de bestsellercultuur, het literaire circuit dat van hype naar hype schiet, waarin een ongelooflijke hoeveelheid ondermaatse boeken van de persen rolt, tegen en uitgevers en literair agenten de dienst uitmaken.

In een van de eerste, hilarische hoofdstukken beschrijft Ugrešic de terreur van het book proposal. Geen uitgever leest nog een manuscript als er geen deugdelijk proposal bijzit. Bijvoorbeeld: `De negentiende eeuw, Frankrijk, een mooie, jonge vrouw, getrouwd met een arts uit de provincie, droomt van de liefde. Verscheurd door haar saaie echtgenoot en haar minnaar, later misschien zelfs nog een tweede, en gebukt onder een schuldenlast die zich iedere dag hoger opstapelt, pleegt de jonge vrouw uiteindelijk zelfmoord. Het boek is bestemd voor een breed damespubliek.'

Een hedendaagse uitgever zou wel brood zien in dit boek, meent Ugrešic. Althans, op een paar kleinigheden na. `U moet alleen de negentiende eeuw veranderen in de twintigste en er nog een minnaar bij doen. Verzint u ook voor haar man iets leuks, laat desnoods blijken dat hij een homo is. En ik zou die zelfmoord aan het einde maar schrappen. Dat is zo ongeloofwaardig.'

In hun doorlopende hang naar bestsellers leggen uitgevers een eenvormigheid aan hun auteurs op, met als gevolg `fabrieksromans' als die van Stephen King, die vergelijkbaar zijn met de verplichte socialistisch-realistische literatuur in de voormalige Sovjet-Unie. De schijnbare pluriformiteit van de markt, leidt juist tot een overheersing door confectieromans. Die maken volgens Ugrešic duidelijk dat de vrije markt tot een literaire eenvormigheid leidt die eigenlijk meer aan een dictatuur doet denken. Stephen King was, indien in de Sovjet-Unie beland, zeker beloond met de Stalinprijs.

Voor zover er nog goede boeken zijn, worden ze na een halfjaar alweer van de boekhandelschappen gehaald. En in de korte tijd dat ze zich daar bevinden, gaan ze schuil achter de enorme stapels bestsellers, achter de nieuwe Stephen King of – in Nederland – Lulu Wang. Bovendien dient de moderne schrijver zich schuil te houden, schrijft Ugrešic: `Hij houdt zijn verheven literaire pretenties en smaak angstvallig voor zich, bang te worden beschuldigd van een `elitaire klassenmentaliteit', van `dogmatisme', `conservatisme' en `cultuurpessimisme'.'

Ugrešic signaleert zelf de paradoxen van haar betoog: als de markt het wil, wordt ook De man zonder eigenschappen een bestseller. Zoals ook cultuurpessimistische tirades het uitstekend doen op de culturele markt. Ugrešic zat zelf midden tussen de mediagenieke sterren in de televisieserie Van de schoonheid en de troost, waar een grote hoeveelheid elitair gedachtegoed werd gespuid. Als ze niet oppast, valt ze zelf in een gat in de markt.

Uiteindelijk werpt zich bij Verboden te lezen! een oneerbiedige vraag op: wat wil Ugrešic nu eigenlijk? Wil ze schuilen achter de stapels bestsellers van anderen en echt goede boeken schrijven, stilletjes voor het kleine gezelschap `authentieke lezers'? Of toch zelf de bestsellers schrijven – met alle compromissen van dien? Ugrešic geeft toe jaloers te zijn op de voorschotten `van zes cijfers'. Misschien is de aangenaamste plaats in de winkel juist wel een rustig plankje in de schaduw. Met andermans bestsellers wordt het papier van Ugrešic' eigen boek betaald. Zij steunt op de schouders van Anna, Hanna en Johanna, de hoofdpersonen uit het gelijknamige boek van de bij Ugrešic' eigen uitgever De Geus publicerende Marianne Frederiksson.

Want uitgevers mogen nu hun neus ophalen voor een fictief book proposal van James Joyce's Ulysses, talloze colega's deden dat destijds voor het volledige manuscript van dat boek. Voor zover dat de schuld van de markt is, is het niets nieuws. Juist voor het (al dan niet zelfbenoemde) genie is het de afgelopen jaren zeker niet ingewikkelder geworden om zijn teksten te drukken en te verspreiden. Internet en printing on demand maken auteurs aanmerkelijk minder afhankelijk van uitgevers en er is geen reden om aan te nemen dat alleen slechte schrijvers daarvan zouden profiteren. Zoals ook de tientallen debuten die verschijnen voor de beginnende serieuze schrijver eerder een kans dan een bedreiging zijn. En de markt is niet onvriendelijk voor goede literatuur: het Weekbladpers-concern zei een winststijging vorig jaar voor een belangrijk deel aan Publieke Werken van Thomas Rosenboom te danken te hebben, een ook door de kritiek hoog geprezen boek van een schrijver die zich niet laat opjagen door de markt. Dat doen ook de meer dan zeventig Nederlandse dichters niet, van wie vorig jaar een nieuwe bundel verscheen.

Een van de mooiste hoofdstukken uit Verboden te lezen! gaat over de boeken in de bibliotheek van `een Europese letterenfaculteit', preciezer, die op de afdeling Slavische taal- en letterkunde. Daar zijn de boeken die de bibliotheek niet mogen verlaten – naar verluidt uit angst voor diefstal – gemerkt met een rode stip. Voor Ugrešic is de bibliotheek zo een overblijfsel van het oude Joegoslavië, het land waarin ze werd geboren, maar dat inmiddels is verdwenen. De bibliotheek is een reservaat van een literatuur die inmiddels door literaire grenswachten in stukken wordt verdeeld.

Maar schijn bedriegt. De bibliotheken zijn niet veilig meer, luidde de alarmroep die de afgelopen maand door de Verenigde Staten galmde sinds de publicatie van Double Fold. Libraries and the Assault on Paper. Daarin beschuldigt de schrijver Nicholson Baker (1957) de bibliotheken in zijn land ervan hun papieren bezittingen te verkwanselen en ze over te brengen op ondeugdelijke microfilm, uitsluitend om ruimte te besparen.

Baker heeft vijf romans op zijn naam waaronder een van de eerste over telefoonseks, het ook in het Nederlands vertaalde Vox. Enkele jaren geleden ageerde hij tegen het weggooien van de kaartenbakken na automatiseringsoperaties in bibliotheken en sindsdien geldt hij als een bibliotheekactivist. Hij pakt de zaken in Double fold volledig anders aan dan Ugrešic. Waar zij de lezer al amuserend probeert mee te voeren, kiest hij voor een boos, soms drammerig relaas. Het boek van Ugrešic wordt gevolgd door een krappe drie pagina's noten, dat van Baker door 65 pagina's, exclusief 17 bladzijden literatuurlijst. Vrolijk probeert hij het niet te maken, maar hij overtuigt wel.

Ten opzichte van degenene die de ondergang van de beschaving, de literatuur in het algemeen of het onderwijs verkondigen, heeft Baker het grote voordeel dat hij het niet heeft over verdwijnende gedachten, maar over de teloorgang van de fysieke verschijningsvorm van die gedachten: het papier.

Nu is het einde van het papier al decennia een hot topic in de bibliotheekwereld, preciezer, de verdwijning van het verzurende papier waar in het laatste deel van de negentiende en het eerste deel van de twintigste eeuw boeken en kranten op werden gedrukt. Dat papier is op grote schaal aan het verzuren en aan het verkruimelen, melden de bibliotheken overal ter wereld al jaren. Daarom ook worden al tientallen jaren oude boeken en kranten door bibliotheken op microfilm gezet, zodat ze voor de toekomst behouden blijven.

Zouden blijven, want die theorie blijkt aan twee kanten buitengewoon broos. Zo verliezen de zwart-wit microfilms niet alleen de kleur die rond de eeuwwisseling in nogal wat Amerikaanse kranten werd gebruikt, veel oudere microfilms zijn inmiddels minder goed tegen de tand des tijds bestand gebleken: delen van het beeld vallen weg en hele stukken krant zijn onleesbaar. Daarbij komen ook nog pagina's die bij het overzetten vergeten zijn, maar half vastgelegde pagina's en zo nog het een en ander.

Die problemen hoeven niet zo ernstig te zijn, meent Baker, omdat bij nadere inspectie blijkt dat veel van het oude papier het eigenlijk heel goed houdt. Waar bibliothecarissen hem verzekeren dat bepaalde kranten in zijn handen zullen verpulveren, slaat hij de bladen rustig om. De tegen ruimtegebrek strijdende bibliotheken willen vooral het papier graag kwijt en hebben de buitenwereld dus massaal voorgelogen over de slechte staat waarin de oude kranten en boeken zich zouden bevinden.

Dat wordt overigens weersproken door de bibliothecarissen zelf. In de New York Times Book Review schreef Mark Roosa, het hoofd `preservation' van de Library of Congress, vorige week dat Baker de kosten van overzetten op microfilm hoger stelt dan ze in werkelijkheid zijn en die van opslag juist kleiner voorstelt dan de werkelijkheid om zo zijn punt te maken.

Wat Roosa niet bestrijdt, is het trieste lot van de oude kranten die nadat ze op microfilm zijn vastgelegd, in de verkoop gaan. Die worden opgekocht door handelaren die er pagina's uitsnijden waarop historische momenten worden behandeld of ze als birthday issues verkopen. De rest van de ingebonden jaargangen gaat met het vuilnis mee. Talloze Amerikaanse kranten van rond de vorige eeuwwisseling zijn al niet meer te vinden, zegt Baker.

De titel Double fold ontleent het boek aan de willekeurige wijze waarop sommige bibliotheken bepalen of een boek het waard is nog langer bewaard te worden: een blad wordt tweemaal omgevouwen en als de delen dan na een korte ruk loslaten is het boekwerk rijp voor de sloop. Toen Baker met die in bibliotheken gangbare criteria zijn eigen boekenkast onderzocht, bleek een groot deel van zijn (nieuwe) banden niet bestand tegen de tekst.

Een van de aardige dingen van Bakers boek is dat hij laat zien hoe nauw het gewraakte microfilmen verbonden is geweest met allerlei vormen van – en daar komt de oude cultuurpessimistische geest weer om de hoek kijken – vooruitgangsdenken. Vooral de CIA, de eeuwig wederkerende doodsvijand van ieder weldenkend mens, blijkt werkgever te zijn geweest van nogal wat bibliotheekmedewerkers die met microfilms experimenteerden.

Bovendien speelde een groot geloof in de technologische ontwikkeling mee en enthousiasme over de eenvoudige wijze waarop de microfilms te reproduceren en te vervoeren waren. Een enthousiasme dat door Baker logischerwijs wordt vergeleken met de prachtige digitale toekomst die de industrie nu voor zich ziet. Die vergelijking is verder door te trekken: zowel het overzetten op microfilm als het digitaliseren van boeken is erg duur, volgens Baker vele malen duurder dan het jarenlang bewaren van de papieren originelen.

Om een boek efficiënt te kunnen scannen moet het eerst - zoals het in bibliothekenland eufemistisch heet - `teruggebracht worden in zijn oorspronkelijke, ongebonden staat'. De guillotine, noemt Baker dat. En met recht, want het is vrijwel onmogelijk een boek te fotograferen zonder het uit de band te halen. Dat draadje voor draadje doen, verslindt arbeidsuren en (dus) geld. Dus wordt meestal de rug in een keer van een boek afgesneden. En er moeten steeds meer boeken gescand worden, want de apparatuur is als een worstenmachine; er moeten worsten gemaakt worden.

Naast wat Baker de leugens van de ruimtebesparende bibliothecarissen noemt, heeft vooral een bizarre combinatie van doemdenken en optimisme de boeken naar de guillotine geleid: paniek over de verslechterende staat van het niet zuurvrij gemaakte papier en — in ieder geval in de jaren vijftig — een al te groot optimisme over de technologische mogelijkheden van de toekomst. Een combinatie van factoren die zo weer zou kunnen optreden, al is het maar omdat het toenmalige microfilmenthousiasme verre wordt overtroffen door de digitaliseringsmanie die bibliotheken de laatste jaren in haar greep heeft.

Reden voor wantrouwen, maar vooral ook voor praktische actie. Baker heeft inmiddels een stichting opgericht die zich ontfermt over oude kranten, die door bibliotheken zijn afgestoten. Daarmee is hij definitief toegetreden tot degenen die daden stellen tegen de teloorgang van het woord, wat de ondergang meer in de weg zal zitten dan nieuwe woorden.

Dat is uiteindelijk wat zo storend is aan de klaagzangen van de investeerders in het fonds cultuurpessimisme: doordat ze blijven hangen op een gratis diagnose en op geen enkele manier werken aan een remedie, verworden hun waarschuwingen tot gezeur. Ugrešic kan zich nog verdedigen door te zeggen dat ze een bij vlagen uitstekend boek over de kwestie heeft geschreven. Want de beste dienst die schrijvers de toekomst kunnen bewijzen is het schrijven van goede literatuur, zonder zich iets aan te trekken van de rotzooi elders in de boekhandel. Als er een echte bedreiging is, kan die alleen met echte boeken bestreden worden. Dat is een investering in de beschaving. En intussen moeten we niet vergeten de boeken onder de guillotine vandaan te trekken.

Dubravka Ugrešic: Verboden te lezen! Uit het Kroatisch vertaald door Roel Schuyt. De Geus, 255 blz. ƒ49,60

Nicholson Baker: Double Fold. Libraries and the Assault on Paper. Random House, 371 blz. ƒ71,60