Mijn vader

Mijn vader geboren in 1903, was gek op gebakken bokking en pruimen. Als hij die at liep het vet bij de eerste en het sap bij de tweede van zijn kin. Op vrijdag kwamen er in ons dorp altijd twee mannen met een houten viskar. Boven de kar was een uithangbord gespijkerd met de woorden: Hier komen de visboksers Arie en Cor. Het was een brommerkar. Arie stuurde altijd en Cor zat een zadel hoger achterop. Ze droegen allebei een alpinopet. Ze installeerden zich onder een grote boom aan de dijk en stalden hun waren uit. Mijn vader at eerst een haring, dan een bokkinkje, en daarna vroeg hij om een speciaaltje. ,,U bedoelt zeker een lekkerbekje, heer Heiden,' zeiden de visboksers. Want in de stad Rotterdam waar ze vandaan kwamen, heette dat zo. ,,Nee,' zei mijn vader, ,,Een speciaaltje is veel lekkerder. Hij heet niet voor niets zo.'

,,Wat willen jullie kinderen,' zei hij tegen ons. Nou wij wilden ook wel een speciaaltje. ,,Even zoeken in de kar,' zei Cor. Hij boog voorover en haalde drie lekkerbekjes onder zijn alpino vandaan. ,,Speciaal voor jullie gevangen,'zei hij, ,,drie lekkere speciaaltjes.' Het vet droop op onze schoenen. Mijn vader stond te glunderen. Hij gaf de mannen een klap op hun schouders en bestelde er nog een.