Mijlenver weg van Bush Jr.

Arthur M. Schlesinger Jr. heeft een goede timing met zijn boeken. Zijn eersteling, The Age of Jackson, verscheen kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog toen Amerika zich op een kruispunt bevond. Roosevelts New Deal had zijn tijd gehad, evenals de oorlogseconomie. Met een originele kijk op de functie van de federale overheid in de jaren dertig van de negentiende eeuw probeerde de jonge historicus aansluiting te zoeken bij de problemen van het moment.

Zijn volgend boek, The Vital Center, uitgebracht vlak voor het begrip Koude Oorlog met de eerste atoomproef van de sovjets zijn angstaanjagende invulling kreeg, hield een dubbele waarschuwing in: tegen de splijtstof van het communisme binnen progressief Amerika en, tegelijkertijd, tegen de `red scare' die Amerika's gezonde verstand dreigde uit te schakelen. Nu is er dan het eerste deel van de memoires, aan het eind waarvan Schlesinger inhaakt bij de actuele vraag of binnen het kapitalisme de overheid het probleem is of juist de beveiliging tegen de uitwassen ervan. De auteur kiest voor het laatste.

Opgegroeid in een progressief georiënteerd gezin waarvan de vader, Arthur M. Schlesinger Sr., een reputatie had gevestigd met zijn pleidooi voor een breder, meer op de maatschappelijke ontwikkelingen gerichte geschiedschrijving, was Jr. voorbestemd voor een leven en loopbaan binnen Amerika's progressieve elite. Als student een aanhanger van Roosevelt en diens New Deal — na zijn teleurstelling over de Progressieve politicus Henry Wallace een late bewonderaar geworden van Roosevelts opvolger in het Witte Huis Harry Truman en diens Fair Deal — was Schlesingers opneming eind 1960 in John F. Kennedy's Camelot feitelijk voorbeschikt. Als adviseur van de jonge president behoorde Schlesinger tot de kring van Kennedy's vaste artistieke, wetenschappelijke en politieke bewonderaars, mannen en vrouwen met wie de auteur sinds zijn eerste verblijf in Harvard zijn ervaringen en zijn gedachten had gedeeld. De vrucht van die jaren was A Thousand Days, John F. Kennedy in The White House, samen met presidentieel speechwriter Theodore Sorensens' Kennedy (1965) de eerste rapportage van dit kortstondige, omstreden, maar tot de verbeelding sprekende presidentschap.

Gore

A Life in the 20th Century mist een rode draad, of, beter, er wordt een aantal draden parallel gesponnen. Het is de auteur er kennelijk om te doen geweest vooral de jongere Amerikaanse lezer in contact te brengen met zoveel mogelijk facetten van het intellectuele, culturele en politieke leven in het midden van de vorige eeuw. De crisis van de jaren dertig bepaalde, zonder dat de jeugdige Schlesinger er direct door geraakt werd, zijn denkwereld. De Tweede Wereldoorlog, aan de vooravond waarvan hij als Henry Fellow een jaar in Cambridge had doorgebracht, hielp hem af van zijn aanvankelijke isolationistische instincten. De Japanse aanval op Pearl Harbor verzoende overigens meer Amerikanen met het aanvaarden van verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de rest van de wereld.

Democratie is voor Schlesinger meer geworden dan, in Amerika gangbaar, een antwoord geven op de vraag hoeveel staatsmacht wenselijk is. Het gaat hem er in de eerste plaats om welke krachten de staat beheersen en in wiens belang de macht van de staat wordt ingezet. In die zin staat hij dichter bij Gore dan bij Clinton en mijlen ver van Bush Jr. De strijdkreet tegen corporate America waarmee Gore vorige zomer de verkiezingscampagne inging zou rechtstreeks aan de auteur van A Life ontleend hebben kunnen zijn. In zijn revisionistische verhandeling over Jackson bijvoorbeeld neemt Schlesinger afstand van diens beperkte historische imago van `frontierman', van ongecompliceerde, populistische `westerner', van de overgeleverde simpele tegenstelling tussen platteland en stad. Schlesinger trekt een rechtstreekse lijn van Jackson naar de New Deal (en in zekere zin naar het begin van de 21ste eeuw), een lijn waarlangs de zorg van de federale overheid voor de zwakkeren in de samenleving zich voltrekt en de machtigen in hun macht worden beperkt.

Naast diepzinnige analyses van vroeger werk, de commentaren daarop en de historische betekenis ervan leveren Schlesingers memoires een schat aan anekdotes die misschien nog wel meer het tijdbeeld inkleuren dan de essays. Zijn beschrijving van de lotgevallen van de Fields is huiveringwekkend. Schlesinger, gedetacheerd bij het Parijse bureau van de OSS (voorloper van de CIA), ontmoette Noel Field in februari 1945. Field bracht een boodschap over van Alan Dulles, Amerika's meesterspion in Zwitserland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een groep van Duitse vluchtelingen in Frankrijk moest worden voorbereid op een project (GALPO) voor de politieke overname van een bevrijd West-Duitsland. Schlesinger noteerde dat Fields recruteringslijst een sterke voorkeur voor communisten toonde. Volgens hem opereerde hij als een sovjetagent.

In januari 1948 ontmoette de auteur ene Hermann Field en diens Britse vrouw Kate, beiden bewonderaars van de volksdemocratieën in Oost-Europa. Hermann bleek Noels jongere broer te zijn. In mei 1949 verdween Noel tijdens een bezoek aan de Praagse Karelsuniversiteit. Noels vrouw Herta en Hermann besloten samen op zoek te gaan. Hermann verdween eind augustus tijdens een vlucht van Warschau naar Praag, waar hij Herta zou ontmoeten. Herta verdween drie dagen later. Een jaar later verdween Erica Wallach, Noels pleegkind, in Oost-Berlijn.

Dwangarbeid

In 1954 en 1955, na Stalins dood, kwam de Field-familie vrij. Hermann was opgesloten geweest in ondergrondse cellen. Erica was door een sovjet militair hof in Berlijn ter dood veroordeeld, maar haar straf was omgezet in vijftien jaar dwangarbeid in Vorkuta, noordelijk van de poolcirkel. Hermann, Kate en Erica waren genezen van hun communistische dagdromen. Noel en Herta bleven hun geloof trouw tot hun dood, respectievelijk in 1970 en 1980.

In het verkiezingsjaar 1948 had Schlesinger een aandeel in de oprichting van de Americans for Democratic Action, een poging een tegenwicht te vormen tegen de Progressieve Partij van de voormalige minister en vice-president Henry Wallace. De PP was volgens ADA door communisten geïnfiltreerd, maar dreigde desondanks de zwak geachte Truman van het toneel te spelen. Zo groot was de verwarring in de Democratische partij dat zelfs overwogen werd de populaire generaal Dwight D. Eisenhower als presidentskandidaat naar voren te schuiven. (Vier jaar later zou de voormalige geallieerde opperbevelhebber aan het westelijk front namens de Republikeinen het Witte Huis overnemen om daar tot 1960 te resideren). De vrees van ADA was dat Wallace progressief Amerika zou verdelen en zo de Republikeinen aan een zege helpen. Twee jaar eerder hadden dezen in het Congres de meerderheid veroverd. Maar tijdens de Democratische conventie in Philadelphia bewezen de verontrusten met hun campagne voor de burgerrechten van minderheden zelf een splijtzwam te zijn. De gedelegeerden van Mississippi en Alabama verlieten de conventie en namen vervolgens als Dixiecrats met een eigen kandidaat deel aan de verkiezingen. Het deerde Truman niet. De president won, tegen de verwachting van de meeste waarnemers in, onder wie Schlesinger.

Achterdocht

Overigens bleef ook de auteur niet gevrijwaard van de ideologische achterdocht die de tijden kenmerkte. Zijn uitzending als inlichtingenofficier naar het bevrijde Frankrijk moest plaatshebben onder de dekmantel van een aanstelling bij de marine. Maar dit krijgsmachtonderdeel diepte uit de krochten van de FBI de verdenking op dat Schlesinger er communistische sympathieën op na hield. Slechts dankzij goede connecties op hoge posten wist de jonge Schlesinger uiteindelijk zijn Parijse post te bereiken. Soortgelijke problemen deden zich voor toen Schlesinger vier jaar later door de topdiplomaat Averell Harriman werd uitgenodigd deel te nemen aan de delegatie die het Marshallplan in Europa moest introduceren. Dit incident leidde er toe dat FBI-directeur Hoover zijn handen aftrok van de screening van deelnemers aan deze operatie. Evenals bij de OSS-missie het geval was, werd veel tijd verspild met het natrekken van die ongegronde verdenkingen.

Dergelijke ervaringen hebben Schlesinger voorzichtig gemaakt wanneer het gaat om de verdenking van politieke incorrectheid. Zo is hij op grond van eigen onderzoek overtuigd gebleven van Alger Hiss' lidmaatschap, althans gedurende de jaren dertig, van de Amerikaanse communistische partij. Hiss was een hoge ambtenaar van het State Department, en was aanwezig geweest bij de Jaltaconferentie begin 1945 waar Roosevelt, Stalin en Churchill zich op de toekomst van Europa hadden beraden. Maar Schlesinger kent het Venona-dossier geen beslissende betekenis toe waar het gaat om de verdenking dat Hiss een sovjetspion was. Dit dossier, bestaande uit telegrammen tussen sovjet-inlichtingendiensten in Washington en Moskou, gedecodeerd door de Amerikanen en gepubliceerd in 1996, noemt ondermeer een agent Ales in het State Department. De FBI: `waarschijnlijk' Hiss. Schlesinger heeft zijn twijfels. Ales werkte voor de GRU, de sovjet-militaire inlichtingendienst en zou uitsluitend militaire inlichtingen hebben verzameld. Hiss, meent Schlesinger, was niet in de positie om op dat gebied veel informatie te verschaffen.

Gezien de betrokkenheid van de auteur bij de intensivering van de Koude Oorlog tijdens de Kennedy-regering (Cuba, Berlijn, Vietnam) blijft zijn oordeel over de oorsprongen van dit fenomeen onder de maat. In de enkele passages die hij aan het verschijnsel wijdt lijkt Schlesinger zich te scharen aan de kant van historici die geneigd zijn een en ander te verklaren als vooral de wrange vrucht van een lange reeks misverstanden over en weer. Dat er in de wapenwedloop een `overkill' optrad, staat buiten twijfel. Maar de suggestie dat het communistische gevaar in de late jaren veertig niet veel meer was dan een binnenlands sociaal-politiek probleem in door de oorlog sterk verarmde landen als Frankrijk en Italië, is nogal eenvoudig en afstandelijk. Misschien dat de auteur in het vervolg van zijn memoires hierop dieper zal ingaan, ook indachtig zijn eerdere stellingname tegen het on-ideologische, materialistische revisionisme met betrekking tot de oorsprongen van de Amerikaanse burgeroorlog, dat populariteit genoot gedurende de jaren veertig en vijftig.

Arthur M. Schlesinger Jr.: A Life In The Twenthieth Century. Innocent Beginnings, 1917-1950. Houghton Mifflin Company, 684 blz. ƒ79,90