Mieren

Max en Vera lagen in het gras. De zon scheen en het waaide een beetje. De bladeren in de kastanjeboom ritselden. Het was zo'n slome dag. Er ging vast niets gebeuren.

Ze lagen op hun buik, en met hun wangen tegen de grond. Tussen de grassprieten zagen ze na een tijdje een mier opduiken. Hij was bruin en keek nieuwsgierig om zich heen. Max gaf Vera een por in haar zij.

,,Ik zie hem ook wel hoor'', fluisterde ze boos terug.

Max hield zijn mond maar. Hij staarde naar de mier. Hij stelde zich voor dat hij zo klein was. Dan waren de grassprieten enorme bomen, de graspollen waar ik onkruid tussen groeide enge oerwouden en de kleine open plekken hier en daar zandvertuivingen of woestijnen. Wat een ander leven had hij dan. Hij griezelde ervan.

De mier had nergens last van. Hij trippelde opgewonden heen en weer. Hij kwam uit een klein gaatje zo groot als een speldekop aan de onderkant van een plukje onkruid. Het leek alsof hij op verkenning was gestuurd, de mier, want na een tijdje kwam er ineens een hele club uit het gat. In een lange, rechte lijn kwamen ze naar buiten.

,,Ze hebben er zin in'', mompelde Vera.

,,Waarin?'' vroeg Max. Vera zag soms dingen die hij niet zag, en ze wist ook veel. Je moest haar niet onderschatten.

,,In die kruimel daar.''

Max keek eens goed. Inderdaad lag verderop een broodkruimel. Je moest wel heel goed kijken om het te zien, maar het was er eentje. Iets verderop lag een stukje broodkorst in het gras. Het was van gisteren toen ze de eenden hadden gevoerd. Hoe langer Max nu keek hoe meer kruimels hij zag.

De mieren bewogen ongeveer net zo snel als Max kon kijken. Dat was iets dat hij nog nooit had meegemaakt. Hij had amper de laatste broodkruimel tussen de grassprieten zien liggen of vier mieren waren al bezig de eerste kruimel naar hun hol te slepen. Een ander clubje stortte zich op de korst. Max moest er niet aan denken dat hij en Vera een gebakspunt zouden vinden die tien keer groter was dan zij met z'n tweetjes bij elkaar. Hij moest er niet aan denken. Nou ja, hij had er al aan gedacht.

Vera voelde Max goed aan. Ze wist waar hij aan dacht. Dat zij met z'n tweetjes een reusachtig boterham met pindakaas zouden moeten verslepen zoals nu de mieren bezig waren met het stukje broodkorst dat nog niet groter dan haar duim was. Er waren wel twintig mieren voor nodig om het in beweging te krijgen. De eerste mier die ze gezien hadden gaf leiding aan de zaak. Hij was ook net wat groter als de anderen en bemoeide zich niet met het sjouwen. Hij rende als een razende om de werkende mieren heen, hielp hier en daar een handje en was dan weer weg. Misschien riep hij in mierentaal ook nog wel allerlei dingen.

Het was prachtig om te zien. De mieren met de broodkruimel waren inmiddels weer in het holletje verdwenen. Andere mieren leken alleen heen en weer te lopen om de route voor de broodkorst vrij te maken; grassprietjes, zandkorrels – het moest allemaal aan de kant. Langzaam schoof de broodkorst vooruit. De mieren liepen eronder. Af en toe kwam er eentje onder vandaan om uit te puffen. Uiteindelijk kwamen ze thuis met de broodkorst.

Een hele nieuwe ploeg mieren kwam het hol uit. De jongens die hadden gesjouwd waren klaar. De nieuwe mieren begonnen de korst in hele kleine stukjes te breken, klein genoeg om het hol binnen te sleuren. Max en Vera bleven kijken tot al het eten naar binnen was. De eerste mier die ze gezien hadden, kwam toen nog een keer naar buiten om een rondje door het gras te maken. Hij wilde weten of alles weg was. Dat was zo, en voor Max en Vera, twee monstergrote gezichten, vlakbij, tussen de grassprieten, had hij geen enkele belangstelling.

    • Martin Bril