Kaas en wijn

SAN FRANCISCO/LOS ANGELES. Ik ben geen volwaardige bedrijfstak. Was ik dat wel geweest, had ik mezelf nooit toegestaan om vijf uur te vliegen om voor zestien mensen voor te lezen uit eigen werk. In San Francisco werd ik opgehaald van het vliegveld door een vriendin van een vriend. De situatie was ingewikkeld, maar behoeft verder geen toelichting.

Wij verzwijgen de waarheid om anderen pijn te besparen. Je hebt er een dagtaak aan. In literaire kritieken heet dat: in eigen vlees snijden.

Ik sneed en sneed, maar er was geen vlees. Mag ik dit omschrijven als een keerpunt in het leven? Dat je ziet, hé wel botten, geen vlees.

In een huurauto reden we naar Berkeley, waar ik ondervraagd zou worden door een journaliste van een lokaal, zeer liberaal radiostation. Men had mij verteld dat ze mijn gevoel voor humor op prijs zou stellen. Maar ze kwam niet opdagen.

Berkeley. Veel sandalen. In het koffiehuis een groot bord: `Wilt u een tafel niet langer dan vier uur bezet houden.'

Vier uur. Zo zag de wereld eruit als je nog in eigen vlees kon snijden.

Sommige mensen, dit moet ik even uitleggen, denken dat het handig is dat ze me kennen, omdat er binnenkort in mijn tuin iets groots en geweldigs zal groeien. Nu groeit er wel iets in mijn tuin. Kleine, harde, groene bananen, vooral geschikt om te bakken en te braden. Soms bekruipt mij het gevoel dat het zaad voor de peterselie, de bosaardbeien en de tomaten niet tot bloei zal komen. Hoe leg je dat aan die mensen uit? Dat is dus pijn die je anderen bespaart.

We reden terug naar San Francisco.

De vriendin vroeg of ik wel eens een aardbeving had meegemaakt.

,,Nog nooit'', zei ik, ,,hoe is het?''

,,Het kan heel leuk zijn'', antwoordde ze.

De boekwinkel City Lights in San Francisco heeft een verleden.

Peter, die de lezingen in die boekwinkel organiseerde, ervoer dat verleden als een last.

Het wachtwoord sprak hij prachtig uit: ,,Zullen we dan maar beginnen?''

Het is dit wachtwoord dat de lezing verbindt met fysieke intimiteit.

De tegenzin om te beginnen, de angst, en altijd weer de gedachte: er zijn te weinig toeschouwers.

Steeds vaker het idee, waarvoor doe ik het als niemand kijkt? Leven.

Een dag voor mijn vertrek naar de westkust belandde ik in een club genaamd The Knitting Factory, waar een zangeres zong. Na twee liederen riep ze: ,,Motherfuckers, ga allemaal maar naar huis.''

De meeste aanwezigen gingen inderdaad naar huis. Ik bleef zitten, want ik kende de artiest persoonlijk. Als je de artiest persoonlijk kent, blijf je zitten. Ze zong nog een halfuur door. Ook dat was pijn die anderen bespaard is gebleven.

Na afloop van de lezing in San Francisco had een dame een kaas- en wijnfeest georganiseerd bij haar thuis. Voor mij. Op verzoek van een vriendin van haar in New York over wie ik wel eens in deze krant heb geschreven. Dat weten ze in Amerika natuurlijk niet. Zouden ze dat wel weten, zouden er geen kaas- en wijnfeesten meer voor mij worden georganiseerd.

Er liepen veel schrijvers rond op het kaas- en wijnfeest. Waaronder eentje van tachtig. Ongegeneerd als het erom ging reclame voor zichzelf te maken. Om jezelf succesvol te kunnen verkopen moet je bepaalde gedeeltes van jezelf dood maken.

De heer des huizes had gedoceerd aan een universiteit. Nu beoordeelde hij manuscripten. En reisde veel.

Hij zei: ,,Wij weten hoeveel bloed en zweet in een boek gaat.''

Toen moest ik naar mijn hotel, want de volgende ochtend vroeg ging mijn vliegtuig naar Los Angeles.

Nu komt het beste gedeelte. Aan het eind van de slurf op Los Angeles International wachtte Karen op mij.

Karen was een chauffeur die alleen maar schrijvers rondreed.

Ik subsidieerde mijzelf, en bij die subsidie had ik besloten, zat Karen inbegrepen. Jezelf subsidiëren, dat is vrijheid. Ik ben ook van plan prijzen in te stellen die ik aan mezelf toeken. Maar dat is toekomstmuziek.

Karen, een jaar of vijftig, woonachtig in Beverly Hills, verslaafd aan valium. Joods, met humorloze zelfhaat die zo uitstekend samengaat met valium. En zo racistisch dat ze al binnen vijf minuten moeite had haar racisme binnen te houden. Ook pijn, alleen wist ze niet hoe ze die anderen moest besparen.

Laat dit een ode zijn aan alle Karens in de wereld.

Voortvarend was ze wel.

Ze had op eigen initiatief een paar boekhandels gebeld en aangekondigd dat ik daar de aanwezige voorraad zou komen signeren.

De eigenaar van de eerste boekhandel kende Cees Nooteboom, maar hij wist niet meer zeker of Nooteboom een Nederlander was.

Ik signeerde de vier aanwezige exemplaren van mijn boek, wat volgens Karen heel veel was voor iemand die... De rest van de zin slikte ze in.

Vervolgens meneer Silverblatt, de intelligentste interviewer van Los Angeles.

De studio was gevestigd op de campus van een universiteit.

Omdat we te vroeg waren, dronken we koffie in de kantine.

Karen kon niet geloven dat ik nog nooit op een campus was geweest. Ze was geshockeerd.

Veel bloot vlees op zo'n campus.

Waar was ik geweest toen de anderen studeerden?

Silverblatt droeg een korte broek en rookte. Hij wilde, dat was beslist geen toeval, over pijn praten. Pijn waaraan je kon ontsnappen en pijn waaraan je niet meer kon ontsnappen. Karen zette me af in mijn hotel op Sunset Boulevard, waar John Belushi ooit aan een overdosis was gestorven. De kamer was groot en koel. De directie heette mij welkom met een sinaasappel, een banaan en een appel.

Na afloop van de lezing in Los Angeles, die alweer een groot succes was, gingen wij met een paar mensen naar een Mexicaans restaurant waar geen alcohol werd geschonken en waar het dus gemakkelijk was om genereus te zijn.

Iemand vroeg: ,,Wat is het beste dat je de komende vijf jaar kan overkomen?''

Ik zei, om de conversatie levendig te houden: ,,Een affaire met een getrouwde vrouw met twee kinderen.''

Al gauw ging het gesprek over moraliteit. Een Europees gesprek, merkte iemand op.

Rechts van me zat een blond meisje dat op een circusschool had gezeten.

Een gesprek begin je, is mijn ervaring, in de hoop dat er een gemeenschappelijke grond is en dat dat gesprek ergens toe leidt: een baan, roem, een kus, of gewoon een visitekaartje. Zodat je kunt zeggen: ik ken iemand die voor de Los Angeles Times werkt.

De visitekaartjes verzamel je in een boek.

En dan bel je. Of niet.

Vroeg of laat kom je erachter dat er geen gemeenschappelijke grond is, dat als alle veren die je van een ander kunt gebruiken, zijn geplukt, er niets meer te zeggen is.

Soms duurt het idee dat er gemeenschappelijke grond is zolang dat alleen de herinnering aan die tijd al een band schept. Een gemeenschappelijke vergissing dus waarvoor we namen verzinnen als vriendschap, liefde, relatie, kameraadschap. Maar ook: ouders, broer, zus.

De circusschool. De vergissing die ik met haar kon delen duurde een halve tortilla. Dat is voor mijn doen behoorlijk lang.

Vervolgens reed ik weer over Sunset Boulevard. In LA is het verboden binnen vier uur twee keer langs hetzelfde punt te rijden.

Te veel mensen die vanuit de auto naar andere mensen kijken.

Een mevrouw in een jeep bracht mij naar mijn hotel. Teenslippers. Jong, mooi en verloren.

Net als de palmbomen in Los Angeles. Ze lijken jong, ze zijn mooi, maar ze staan daar een beetje verloren in de woestijn.

,,Dat is onze favoriete bezigheid in LA'', zei ze, ,,naar elkaar kijken.''

Dus keken we naar elkaar.

Ook de receptioniste keek naar mij.

Toen was ik alleen op de kamer en ik keek naar mezelf.

Ik stelde me voor dat ik een palmboom was in LA. Geluiden uit de nachtclub drongen door tot in mijn kamer. Maar ik wiegde zachtjes heen en weer.