`Hoger onderwijs moet in de wereldtoptien'

Universiteiten moeten niet bang zijn voor meer concurrentie met het buitenland, zegt minister Hermans (Onderwijs). `Ik vraag ze echt niet een bedrijf te worden.'

Soms gaat het allemaal wel erg snel, hoort minister L. Hermans (VVD, Onderwijs) soms van bezorgde universiteiten en hogescholen. ,,Ik hoor dan dat we helemaal vooraan lopen, dat we in ons eentje de euro aan het uitvinden zijn.'' Begrijpelijk, vindt hij. ,,Er staat ontzettend veel te gebeuren de komende tijd. De hele structuur van het hoger onderwijs gaat op de schop. Maar daar moeten we niet bang voor zijn. Angst is de kortste weg naar de afgrond.''

Afgelopen weekeinde ontmoetten de Europese ministers van Onderwijs elkaar in Praag. Voor Hermans de kans om zijn inmiddels dertig collega's bij te praten over het hoge tempo waarin het Nederlandse hoger onderwijs aan het veranderen is. Universiteiten moeten zich steeds meer toeleggen op `ondernemerschap'. Onderzoekers moeten bovendien een quotum aan publicaties halen en opleidingen zijn zich aan het voorbereiden op de invoering van de bachelor/masterstructuur.

Maar er werden in Praag ook afspraken gemaakt. Binnenkort kunnen Nederlandse studenten met behoud van hun beurs in het buitenland studeren.

Op de vorige bijeenkomst van de ministers van Onderwijs, twee jaar geleden in Bologna, werd de basis gelegd voor de invoering van de Angelsaksische bachelor/masterstructuur binnen tien jaar. Nederland begint daar al in 2003 mee.

Hermans: ,,Het staat vast dat we die hervorming gaan invoeren. Dan kun je daar beter snel mee zijn, want iedere afgestudeerde die van vóór de verandering is, heeft straks minder kansen. Gisteren is vandaag al begonnen, hoor.''

Niet alleen de titel doctorandus verdwijnt, het hele hoger onderwijs wordt anders ingericht. Zo vervaagt het onderscheid tussen universiteiten en hogescholen. ,,De kwaliteit van opleidingen willen we zoveel mogelijk internationaal vergelijkbaar maken'', zegt Hermans. ,,Zo krijgen we een intensievere uitwisseling van studenten. En daar willen we naartoe.''

Dit vraagt ander gedrag van studenten. Minder snel voor de opleiding dicht bij huis kiezen, meer over de grens kijken.

,,Het is mijn taak de student voldoende informatie te geven om een goede keuze te maken, laten zien wat er allemaal kan. Het is aan de student om te bepalen wat hij ermee doet. Maar goed, de keuzevrijheid wordt natuurlijk flink vergroot en dat zal voor studenten wel wennen worden.''

Maar hoe vergelijk je het Nederlandse onderwijs met dat van Cyprus of Kroatië?

,,Je moet niet proberen alle onderwijssystemen in Europa gelijk te schakelen. Daarvoor zijn de verschillen gewoon te groot. Wel vind ik het belangrijk om door een vergelijking van de kwaliteit te laten zien waar we internationaal staan. Mijn ambitie is dat over tien jaar alle Nederlandse opleidingen bij de toptien van de wereld horen. Nu al staat het Nederlandse hoger onderwijs internationaal zeer hoog aangeschreven, straks kunnen we het ook laten zien.''

Dan laat zich raden wat er vanaf volgend jaar gaat gebeuren. Buitenlandse studenten zullen massaal naar Nederland komen, omdat het niveau hier kennelijk zo hoog ligt. Dat kan praktische problemen opleveren, zoals de toegankelijkheid van opleidingen voor Nederlandse studenten.

,,Ongetwijfeld zou dat kunnen, ja. Het voorbehouden van opleidingsplaatsen aan Nederlandse studenten lijkt op het eerste gezicht wel interessant, maar daar heb je op den duur alleen jezelf mee. Over enkele jaren kan het heel goed zijn dat hier op topstudies Nederlandse studenten gaan concurreren met buitenlandse.''

Op dit moment is er geen regeling die de instroom van buitenlandse studenten bij een beperkt aantal opleidingsplaatsen regelt. Zij hebben dezelfde rechten en plichten als Nederlandse studenten. Het gaat nu nog maar om vrij lage aantallen, zo blijkt uit cijfers van de universiteiten.

Hermans wil die gelijkheid intact laten. ,,Een andere weg is er gewoon niet, het beschermen van je eigen potentieel werkt op den duur niet.''

Tegelijk met de bachelor/masterstructuur verandert het systeem van accreditatie van opleidingen. Voortaan beoordeelt een onafhankelijke instelling of zij aan basiseisen voldoen. `Goedgekeurde' opleidingen kunnen beloond worden met geld en een keurmerk van de minister.

En wat gebeurt er als opleidingen dat basiskeurmerk straks niet verdienen?

,,Dan krijgen zij een periode om orde op zaken te stellen, vergelijkbaar met de herstelperiode die de studie Communicatiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam vorig jaar kreeg. Maar als de opleiding daarna nog niet voldoet, kan ik de bekostiging stopzetten. Universiteiten en hogescholen hebben ervoor te zorgen dat studenten goed naar een diploma worden begeleid, daar spreek ik ze ook op aan als het moet.''

Opleidingen kunnen dus gesloten worden.

,,Het kan ertoe leiden dat we tot sluiting overgaan. Als we dat niet doen, zakken ze door een denkbeeldige bodem heen. En ja, dan kan ik met publiek geld niets meer voor ze doen.''

Onlangs kwam de commissie-Franssen met het plan om `sterren' te verlenen aan uitblinkende opleidingen en een internationale ranglijst te maken. Een goed idee?

,,Voor sterren is de tijd volgens mij nog niet rijp. En wat die ranglijst betreft: die komt er toch wel, of we nu willen of niet. Als wij het niet gaan doen, doen anderen het wel. Daar kunnen we maar beter aan wennen.''

Sterren, strepen, concurrentie. Veel universiteiten en hogescholen gruwen bij het idee alleen al. Dat gevoel werd nog versterkt door een begin deze maand gepubliceerde strategienota van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), die zo'n 20 procent van het Nederlandse onderzoek financiert. Voortaan beoordeelt NWO bij aanvragen voor onderzoek of die voldoen aan een beperkt aantal `hoofdthema's', die maatschappelijk en internationaal sterk in de belangstelling staan.

Dat is verstandig, vindt Hermans. ,,Er ontstaan steeds meer internationale netwerken van instellingen. Nederland moet daarom inzetten op strategische posities. Ik geloof er niet in dat onderzoek zonder direct maatschappelijk nut buiten de boot gaat vallen. Voor dwarsliggend, eigenwijs onderzoek moet altijd ruimte blijven. Instellingen kunnen met mij afspraken gaan maken over het behoud van kleine opleidingen die niet direct maatschappelijk relevant lijken te zijn. Ik wil af van het idee dat het voor universiteiten noodzakelijk is op de massa te gaan spelen.''

Misschien komen de zorgen van universiteiten vooral voort uit angst voor een steeds bedrijfsmatiger aanpak ?

,,Als je naar de grote Amerikaanse universiteiten kijkt, merk je dat zij een hoog wetenschappelijk niveau hebben en tegelijk op veel punten bedrijfsmatig werken. Toch zijn het geen `gewone' bedrijven geworden. Ik vraag van Nederlandse universiteiten echt niet dat ze een bedrijf worden. Ik vraag ze een balans te vinden tussen een puur bedrijfsmatig en universitair karakter.''