Het begin van de moderne tijd

In de 19de eeuw gingen fotoboeken over sterren, piramides of huidziekten. Verzamelaar Steven Joseph verkoopt zijn unieke collectie fotoboeken aan het Rijksmuseum.

Volgende week maakt het Rijksmuseum in Amsterdam de aankoop bekend van een collectie internationale 19de-eeuwse fotoboeken. De bijna tweeduizend albums – de vroegste uit 1842, de recentste uit 1900 – bevatten zo'n 40.000 originele foto's en fotomechanische reproducties. Het is een van de grootste particuliere collecties op dit terrein ter wereld en omvat een kleine tweeduizend titels die een overzicht geven van de visuele en technische ontwikkeling van de fotografie als illustratiemiddel. In de boeken, soms niet omvangrijker dan een hedendaags tijdschriftje, staan foto's van vrijwel iedere toonaangevende 19de-eeuwse fotograaf; van de Engels pionier Henry Fox Talbot tot de Franse landschaps- en architectuurfotografen Maxime du Camp en Edouard Baldus, van de Japanner Ogawa tot de Nederlander Pieter Oosterhuis.

De collectie is afkomstig van de verzamelaar Steven Joseph, een Engelsman die al twintig jaar in Brussel woont. De eerste contacten tussen Joseph en het Rijksmuseum werden al in 1996 gelegd maar het binnenhalen van de zijn collectie werd de afgelopen maanden snel en in stilte uitgevoerd. Volgens Rijksmuseum-fotocurator Mattie Boom was er haast geboden. ,,Ik was bang dat de een of andere Getty er lucht van zou krijgen en met een buidel geld zou zwaaien'', verklaart ze.

Joseph moet hartelijk lachen als Booms angst hem ter ore komt. ,,Het idee alleen al dat mijn boeken ergens bovenop een berg in een depot langs snelweg nummer zoveel zouden worden opgeborgen. Gruwelijk!''

België

Geld heeft bij zijn keuze voor het Rijksmuseum geen rol gespeeld, zegt Joseph. ,,Als verzamelaar leer je geld te relativeren. Het belang dat je hecht aan een nieuwe aanwinst, heeft met geld niets te maken.''

Met de overname door het Rijksmuseum, dat na de renovatie een tentoonstelling aan de nieuwe aanwinst zal wijden, is zijn collectie eindelijk `vervolmaakt', zegt Joseph. ,,In particuliere handen bestaat een collectie als deze eigenlijk niet echt. Het is een bibliotheek, een studiecollectie waarmee gewerkt moet worden. En dat kan nu. De boeken worden bewaard. Ze zijn voor het nageslacht toegankelijk geworden.'' Om er snel aan toe te voegen dat hij nu vooral niet pompeus wil klinken. ,,Het is gewoon heel praktisch bedoeld.''

Joseph (1955), in het dagelijks leven werkzaam als ambtenaar bij de Europese Commissie, studeerde moderne literatuur aan het Christ Church College in Oxord en vervolgens bedrijfskunde in Parijs. In 1981 verhuisde hij naar Brussel. Hij is een `gewone Euroambtenaar'. En ,,mijn werk geeft me de vrijheid om mijn belangstelling op mijn manier uit te leven'' – veel meer laat hij niet over zijn werk los.

Hij schreef de afgelopen jaren op eigen onderzoek gebaseerde boeken over vergeten 19de-eeuwse Belgische fotografen als Guilaumme Claine (1881-1869), L.P.T. Dubois de Nehaut (1799-1872) en Edmont Fierlants (1819-1869), en publiceerde vorig jaar een methodologie voor fotohistorisch onderzoek. Daarnaast was hij een van de initiatiefnemers van de in 1997 verschenen Dictionary of Belgian Photographers, een tweedelig standaardwerk waarin voor het eerst een overzicht werd gegeven van de 19de-eeuwse Belgische fotografie. Bij vrijwel ieder boek organiseerde hij een tentoonstelling.

Ondanks dat werk beschouwt hij zich niet als `an image man', zegt Joseph. Hij is in de eerste plaats een historicus en zijn belangstelling voor de fotografie komt vooral voort uit zijn fascinatie voor de economische, sociale en technologische veranderingen in de Victoriaanse 19de eeuw. In die eeuw neemt het jaar 1839, waarin de uitvinding van de fotografie bekend werd gemaakt, een cruciale plaats in, meent hij. ,,Het was voor het eerst in de geschiedenis dat je de wereld onder ogen kreeg die zich buiten je eigen directe bereik lag, zonder dat er een tekenende of schilderende hand aan te pas kwam. Dat was het echte begin van de moderne tijd. En van de vervreemding, want met de fotografie kwamen kennis en ervaring ineens los van elkaar te staan.''

Verzamelwoede

Dat zijn fotografische belangstelling zich vooral toespitste op het boek vindt Joseph ,,niet meer dan logisch''. ,,Er werd kennis mee verzameld en mee verspreid. Natuurkunde, geneeskunde, technologie, geologie, sterrenkunde, de studie van de kunsten - zonder de fotografie zouden ze nooit de hoogte hebben bereiken die ze nu hebben. Tegelijkertijd getuigt het boek ook zélf van de technologische veranderingen. Vanaf het begin van de fotografie is gezocht naar manieren om haar te gebruiken bij het overzetten van het beeld op de drukplaat. Daguerreotypieën (de eerste foto's - EM) waren unica, maar al in 1840 zijn ze zo bewerkt dat ze gedrukt konden worden. Zwart, grijs en weinig doortekend - maar toch!''

Al was het begin van zijn verzamelwoede uiteraard niet zo doordacht, relativeert hij. ,,Het échte begin was als het begin van alles: een simpele emotie.'' Hij was twaalf, vond in een junkshop in zijn geboorteplaats Manchester een eerste editie van Sir Walter Scotts Lady of the Lake. Prijs: één pond. ,,Wist ik veel van eerste edities. Ik wilde het gewoon hebben vanwege het omslag dat met een dun laagje hout was belegd en waarop een foto was afgedrukt. En ook in het binnenwerk zaten een paar leuke plaatjes. Pas later realiseerde ik me dat het ging om originele foto's die er met de hand waren ingeplakt.''

Het idee om een overzichtscollectie van historische fotoboeken aan te leggen kreeg Joseph kort voor zijn verhuizing naar Brussel. ,,Ik realiseerde me dat ik over een paar dagen in de hoofdstad van Euroland zou wonen, een soort kruispunt waarop ik het beste uit de Europese fotogeschiedenis in me op kon nemen.''

Het was een erg naïeve gedachte, merkte hij al snel. ,,Er bleek maar een handjevol fotohistorici te zijn. En zij waren vooral bezig om hun eigen nationale fotogeschiedenis onder het stof vandaan te halen.'' Om zich een beeld te kunnen vormen van de vroege Belgische fotogeschiedenis zat hij de eerste tien jaar van zijn verblijf in België vrijwel iedere avond in de Koninklijke Bibliotheek.

fotografieverzamelaars waren er evenmin – al had dat ook z'n voordelen: ,,Op veilingen waren nog de mooiste dingen te vinden. Antiquariaten, vlooienmarkten en rommelzolders waren schatkamers. En het kostte maar een habbekrats, want niemand had er belangstelling voor.''

Zeventig meter

Hij heeft zich lang de baas gevoeld over een weeshuis vol kinderen die niemand anders wilde hebben zegt hij later op de avond, grasduinend door de zeventig strekkende meter boeken in zijn huis. Ze bevatten de begindagen van de fotografie in zijn oorspronkelijke vorm. Tenslotte werd het overgrote deel van die fotografie niet `los' maar in boeken gepubliceerd: soms als in afleveringen uitgebrachte (en nadien in te binden) portfolio's waarop belangstellenden zich konden abonneren; soms met de hand ingeplakt op van te voren bepaalde pagina's. De meesterwerken die nu de canon van de fotografie vormen, zijn niet meer dan het topje van de ijsberg. Joseph: ,,Net als in de schilderkunst hebben de fotohistorici zich gericht op individuele kunstwerken. Daardoor is het zicht op de originele context en het gebruik van die fotografie vertekend geraakt.''

Bijna willekeurig licht hij boeken uit de somber ogende rijen en wijst op fotolithografieën waarvoor foto's werden overgezet op een stenen drukvorm, op heliogravures waarvoor koperplaten werden gebruikt, op de met behulp van een glazen vorm gemaakte lichtdrukken van na 1870: sterrenfoto's, medische foto's, piramides in Egypte, het landschap van het Engelse Norfolk, het schedeldak van Joost van den Vondel in 1876 gefotografeerd door de met zijn stadsgezichten bekend geworden Nederlandse fotograaf Pieter Oosterhuis - ,,geen bijzondere foto, maar wel een prachtig voorbeeld van 19de-eeuws surrealisme''.

Topstukken? Joseph haalt zijn schouders op. Als historicus is de hedendaagse preoccupatie met superlatieven hem vreemd zegt hij. ,,Het alledaagse, het minder opvallende, dat is toch wat de grote lijn van alles bepaalt.'' Hij pakt de Salt Lake City Directory, een gouden gids uit 1885 waarvoor een plaatselijke pianofabrikant en juwelier hun winkels en een bank zijn kluizen liet fotograferen, een Belgische uitgave uit 1867 getiteld Carabins de la Guerre met tientallen anonieme afbeeldingen van pistolen en geweren, een medisch handboek uit 1890 met fotolithografieën van huidaandoeningen variërend van zomersproeten tot door syfilis half verteerde gezichten, het pocketboekje A modern beefarm uit 1887 waarin ene S. Simmins foto's van bijenkorven plaatste én een portret van zichzelf met vrouw en kinderen onder het bijschrift `Our best wishes to the reader'. ,,Dit is de manier waarop fotografie zo'n allesoverheersend medium is geworden.''

Al kan hij zo nu en dan ook esthetisch genieten van foto's. Van de betoverende bijna veertig bij zestig centimeter grote driekleurendrukken bijvoorbeeld in Le Trésor Artistiques de la France uit pakweg 1877, de eerste catalogus van het Louvre in Parijs waarin het fragiel bewerkte gouden juwelenkoffertje van Louis XIII's echtgenote Anna van Oostenrijk staat afgebeeld tegen een fluwelen ondergrond waarvan het rood even terughoudend als helder is.

Maar hij heeft nooit een boek gekocht omdat er mooie of beroemde foto's in zaten. ,,Het boek moest bijzonder zijn, het gebruik van de foto's opvallend, hun reproductiewijze typerend.'' En nee, smetteloos hoefde niet. Hij kocht gerust een kunsttijdschrift uit 1846 waarin Henry Fox Talbot, de grondlegger van het negatief-positief procédé, zelf zoutdrukken plakte met slechte lijm die het beeld aantastte - zoiets laat tenslotte prachtig zien hoe onhandig het er aan toe ging in de begindagen van het fotoboek. Vlekken en krassen waren ook geen bezwaar. ,,Zoiets hoort bij boeken, die dingen worden tenslotte gebruikt.''

`Het échte begin was als het begin van alles: een simpele emotie'

`De boeken kostten maar een habbekrats, niemand had er belangstelling voor'