Een onvermijdelijke vulgarisering

Ruim twintig jaar geleden, toen de zeven prinsen die een recht op de Nederlandse troon hebben, nog schooljongens waren, zei een observeerder van de Nederlandse monarchie dat, als we de statistiek als maatstaf nemen, het zeker was dat ten minste één van die prinsen óf met de justitie in aanraking zou komen óf een meisje zwanger zou maken óf een drugsprobleem zou krijgen.

Zijn pessimisme is niet bewaarheid, want die prinsen hebben zich, voorzover valt na te gaan, zonder veel moeilijkheden – en zonder veel moeilijkheden te veroorzaken – ontpopt als oppassende jongemannen, en als er al een meisje door een hunner is bezwangerd, dan is dat – ook alweer: voorzover valt na te gaan – keurig binnen huwelijkse perken gebeurd.

Maar onze pessimist zei toen ook dat het funest voor het koningschap zou zijn als er in Nederland een groot aantal families zou ontstaan die, door hun huwelijkse relatie met het koninklijk huis, een aparte plaats in de maatschappij zouden innemen – al was het maar doordat zij omringd zouden worden door de onvermijdelijke snobs en verheerlijkt door Telegraaf en damesbladen. Kortom, de vorming van cliques en klieken om het koninklijk huis was allesbehalve denkbeeldig.

Niet dat koningin Beatrix en haar man dat zouden nastreven. Maar zij zijn nu eenmaal, door hun positie, geen gewone mensen, en aangezien ze dat niet zijn – en, wat Beatrix betreft althans, ook niet willen zijn – zullen er altijd mensen te vinden zijn die zich graag koesteren in de glans van die ongewoonheid. In elk geval wordt dan de afstand tussen de monarchie en de gewone mensen – een afstand die door de televisie toch al kleiner is geworden – nog kleiner.

Velen zullen die ontwikkeling verwelkomen, maar zij vergeten dan dat afstand een voorwaarde is voor het voortbestaan van de monarchie en de uitzonderlijke plaats die zij binnen – of liever gezegd: buiten – de democratie inneemt. Haar reden van bestaan berust op een mythe – de mythe dat het beste staatshoofd alleen maar uit één familie gerecruteerd kan worden en dat dit bovendien altijd de oudste zoon van het regerend staatshoofd is – maar die mythe wordt minder houdbaar naarmate de afstand tot de monarchie afneemt.

Voor de televisie kijkend naar de plechtigheden rond het burgerlijk en kerkelijk huwelijk van prins Constantijn en Laurentien Brinkhorst, vroeg ik me vorige week af wat onze pessimist van twintig jaar geleden daarvan gevonden zou hebben. Had hij niet een beetje gelijk gekregen – althans in zijn sombere voorgevoelens wat betreft het afnemen van de voor het voortbestaan der monarchie zo nodige afstand tot de rest van de samenleving?

Er wordt gezegd dat Beatrix eerder het voorbeeld van haar grootmoeder dan van haar moeder heeft willen volgen. Koningin Wilhelmina bewaarde inderdaad, althans tot 1940, afstand. De inner circle rond haar bestond uitsluitend uit adel – ook een groep wier voorrechten van mythische oorsprong zijn. Dit systeem was in een moderne maatschappij niet te handhaven. Dat heeft Beatrix ook beseft, maar verwelkomt zij daarom ook de even onvermijdelijke vulgarisering die het gevolg is van huwelijken van de prinsen met `gewone' meisjes?

Het huwelijk van vorige week onderscheidde zich, behalve in grootsheid van opzet, in niets van de huwelijkspartijen waarvan we wel plaatjes zien in een bepaalde pers. Naarmate de welstand is toegenomen, zijn de uiterlijke verschillen kleiner geworden. Alle heren dragen een jacquet, en alle dames korte rokken en grote hoeden. (Een lelijke combinatie overigens. Ik heb niets tegen grote hoeden en ook niet tegen korte rokken (behalve dat de laatste de aandacht van de preek afleiden), maar bij een grote hoed hoort een lange rok, en bij een korte rok een hoedje.)

Maar waar het om gaat, is dat je uiterlijk geen verschil kon zien tussen een vorstelijk en een gewoon huwelijk of zelfs een lustrum van een studentencorps. Iedereen leek ook wel in de kerk uitgenodigd te zijn – tot aan het echtpaar Peper toe. Ver zijn de dagen van koningin Wilhelmina. Niet dat we daarom treuren moeten – en de klok terugdraaien kan al helemaal niet – maar je vraagt je af of de monarchie zichzelf niet aan het ondermijnen is. Onze pessimist zei twintig jaar geleden al dat de vruchtbaarheid van onze prinsessen wel eens het einde van de monarchie zou kunnen inluiden.

En dan de gemeenzaamheid van toon. De dienstdoende predikant sprak al in de eerste zin van zijn `overdenking' het bruidspaar vijf keer met jullie aan. (Overigens leek het alsof hij zich eerder tot twintigjarigen richtte dan tot een man en een vrouw die over de dertig zijn en geacht kunnen worden iets van het leven te kennen.)

Die gemeenzaamheid is eveneens het gevolg van het `gewoon willen doen' en ondermijnt dus ook de reden van bestaan der monarchie, die niet gewoon is en kan zijn. In wezen is die gemeenzaamheid daarom onwaarachtig. Even onwaarachtig is de zoen- en omhelzingscultuur tussen mensen die elkaar kort tevoren nog gezien hebben (de grote hoeden zijn hier blijkbaar geen belemmering). Dat zoenen en omhelzen is afgekeken van de televisiesterren, die daarbij dan nog een denkbeeldige dolk tussen elkaars schouderbladen steken.

Het bontst, en gênantst, op dit gebied maakte het wel de vader van de bruid, die op het burgerlijk huwelijk de toekomstige vrouw van onze toekomstige koning bijna besprong. Was hij even vergeten dat de televisiecamera's aanstonden? Of was hij dat juist niet vergeten? In elk geval: van enige retenue – de terughoudendheid die koninklijke plechtigheden placht te kenmerken – was nu geen sprake. (Hoe de Veluwse boeren, voorzover ze televisie in huis hebben, die scène hebben genoten, is een ander verhaal.)

Kortom, onze pessimist zou verleden week geen reden hebben gehad zich helemaal in het ongelijk gesteld te zien.