Echte vijand in de ruimte blijft onbenoemd

`Star Wars' heette het Strategisch Defensie Initiatief (SDI) van president Reagan in de volksmond. De benaming was kennelijk geïnspireerd door populaire tv-series als Star Trek, waarin een coalitie van planeten het ruimteschip Enterprise onder bevel van een aardbewoner de orde laat bewaren in het universum. Hoe verschillend de uiterlijke kenmerken van de onderscheiden ruimtevolken ook zijn, zij spreken allemaal van nature Engels – wat de communicatie sterk vereenvoudigt. Voor de argeloze Amerikaanse kijker verbeelden Star Trek en zijn opvolgers een uitbreiding naar het heelal van de Amerikaanse rol in de wereld. Star Wars en Star Trek deden de grens tussen werkelijkheid en science fiction vervagen.

De stranding van SDI nog voor er ook maar een zichtbaar begin mee was gemaakt, had verschillende oorzaken. Het verzet en de kritiek in politieke en wetenschappelijke kring waren overtuigend. De kosten waren nauwelijks te ramen. En het oorspronkelijke argument – Amerika te beveiligen tegen een verrassingsaanval van de Sovjet-Unie – kwam met het einde van de Koude Oorlog te vervallen. Reagans opvolger Bush verklaarde dat de Sovjet-Unie niet langer als vijand werd beschouwd. De Sovjet-Unie werd Rusland, en de Amerikanen raakten financieel en praktisch betrokken bij de ontmanteling van overtollige, verouderde en wegroestende sovjetarsenalen.

Gedurende de twaalf jaar waarin achtereenvolgens Bush en Clinton het Witte Huis bewoonden is de research naar ruimtewapens gestaag doorgegaan. Vorig jaar zijn er zelfs proeven genomen met raketten die raketten moesten neerhalen, zonder overtuigend resultaat overigens. De vraag is of dergelijke experimenten nog als, min of meer toegestane, research kunnen worden beschouwd en op zichzelf niet al een inbreuk zijn op het zogenoemde ABM-verdrag van 1972. De medeondertekenaar van dat verdrag, het Kremlin, heeft er van afgezien daarover stampij te maken. Moskou acht het blijkbaar verstandiger over dit thema met Washington in gesprek te blijven. De Russen zijn dan ook niet opnieuw het doelwit van de Amerikaanse onderneming.

Konden de ruimtelijke activiteiten in de jaren negentig nog onder de hoofdjes `voor alle zekerheid' en `het is politiek gemakkelijker ermee door te gaan dan ze af te breken' worden gerangschikt, met Bush jr. is een team van gelovigen in de regering gekomen. Vooral de nieuwe politieke voorhoede van het Pentagon, het ministerie van Defensie, acht onder leiding van minister Rumsfeld ingrijpende veranderingen in het Amerikaanse strategische denken noodzakelijk. Bij die veranderingen staat Amerikaanse beheersing van de ruimte centraal.

In een uiteenzetting voor de media zei Rumsfeld: ,,Meer dan enig ander land zijn de VS voor hun veiligheid en welzijn afhankelijk van de ruimte. Ons dagelijks leven is in toenemende mate verbonden met de ruimte. Wij zijn afhankelijk van satellieten in onze huizen, scholen, ondernemingen en ziekenhuizen. Satellieten maken wereldwijde verbindingen, televisie, weersvoorspelling, navigatie op zee, in de lucht en op het land, alsmede onderlinge afstemming van computers, verbindingen en elektriciteitsvoorzieningen mogelijk.''

Satellieten zijn onze ogen en oren, vervolgde Rumsfeld. Zij verzamelen informatie over het vermogen en de bedoelingen van potentiële tegenstanders, zij controleren de naleving van verdragen en overeenkomsten en zij ondersteunen militaire operaties wereldwijd. Satellieten waarschuwen Amerikaanse strijdkrachten voor raketaanvallen en maken precisieaanvallen mogelijk die onbedoelde schade minimaliseren en Amerikaanse militairen beschermen. De bewindsman acht het logisch dat Amerika zijn belangen in de ruimte beschermt. Onze eerste keus is niet, zei de bewindsman, de overhand te verwerven in een conflict, maar in staat te zijn anderen af te houden van vijandelijke acties tegen de veiligheid van de Verenigde Staten.

Rumsfeld ging vragen over eventuele stationering van (verdedigings)wapens in de ruimte uit de weg. Maar de Republikeinse senator Robert Smith van New Hampshire, door de bewindsman uitgenodigd om zijn visie te geven, ging een stap verder. Hij zei het Amerikaanse volk eraan te willen herinneren dat zich in de ruimte naties bevinden die vijandig zijn. Zij beschikken over lasers, antisatellietwapens en elektromagnetische schokwapens. Smith zei het gewenst te achten dat Amerika in de ruimte over het vermogen beschikt om deze problemen te lijf te gaan.

Het debat over al dan niet een raketschild leidt intussen de aandacht af van een werkelijkheid waarvan het schild slechts een onderdeel is: de militarisering van de ruimte. De waarneming vanuit de ruimte was het begin daarvan. In 1962 hielpen satellieten Washington aan de bewijzen voor de stationering van sovjetraketten op Cuba. Toen de crisis voorbij was, toonden zij onomstotelijk aan dat die raketten ook weer werden weggehaald. In de eindfase van de oorlog tussen Iran en Irak hielpen de VS een Iraanse doorbraak naar Bagdad voorkomen door de Irakezen satellietfoto's van de Iraanse formaties te verschaffen. In de Golfoorlog tegen Saddam speelde navigatie via satellieten een beslissende rol. Tijdens de Falklandoorlog tegen Argentinië waren het de Britten die van de Amerikaanse ruimtespionage profiteerden. Het mag duidelijk zijn dat Amerika bij al die gelegenheden vijandelijke operaties tegen zijn satellieten had mogen verwachten, indien de bespioneerde mogendheden daartoe de middelen hadden gehad.

Volgens senator Smith beschikken niet nader door hem aangeduide landen nu over dergelijke middelen. Minister Rumsfeld weigerde desgevraagd de beweringen van Smith te weerleggen of te bevestigen. Maar de grootscheepse strategische herziening en bestuurlijke reorganisatie die in het Pentagon op gang is gekomen, suggereren dat Smith weet waarover hij spreekt. Ter verdediging van het raketschild wordt doorgaans gewezen op zogenoemde schurkenstaten, Noord-Korea, Irak en Iran. Maar dat deze landen het vermogen hebben waarover senator Smith sprak, is onwaarschijnlijk. De Enterprise bevindt zich als het ware al op de tekentafel, maar de vijand die hij moet afschrikken blijft onbenoemd. Voor hoe lang nog?

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.