De stenen hebben nog steeds oren

In de sublieme roman Destiny van de in Italië wonende Brit Tim Parks oppert de journalist Christopher Burton dat de Italiaanse natie wellicht het best begrepen kan worden met behulp van datgene wat verzwegen wordt door zijn inwoners. Die paradoxale vaststelling geldt waarschijnlijk a fortiori voor Sicilië, de appendix van het Italiaanse schiereiland. De Siciliaanse volksaard is een gesloten systeem en juist daardoor een favoriet jachtbrevier voor schrijvers, die van oudsher gedreven worden door de hartstocht om het raadsel te ontsluieren of juist te vergroten. Zelfs buitenstaanders, zoals recentelijk de Amerikaanse journalist Frank Viviano en de Australiër Peter Robb, waagden zich op dit bloeddoordrenkte terrein van de `mannen van eer'.

Schrijven over Sicilië betekent ook in de voetsporen treden van vermaarde Siciliaanse auteurs als Pirandello, Tomasi di Lampedusa, Vittorini en Sciascia. Maar dat heeft de debutant Giovanni Chiara er niet van weerhouden zich opnieuw te meten met het eiland dat door Leonardo Sciascia in de policier De dag van de uil wordt beschreven als een `vrouw: mysterieus, ongenaakbaar, wraakzuchtig en beeldschoon'. Ook in Chiara's roman, in de Nederlandse vertaling De valstrik getiteld, worden de bekende attributen beschreven die de weelderige garderobe van de `vrouw' Sicilië uitmaken: erekwesties, bedreiging en afpersing, dwingende aanbevelingen en aanbestedingen, de omertà (zwijgplicht) en de lupara (het dubbelloopsgeweer). De suspense ontbreekt evenmin terwijl dat ene omineuze woordje, het brand- en handelsmerk van het eiland, geraffineerd wordt verzwegen: mafia. Want in de mond van menige Siciliaan bestaat dat instituut niet, hoewel bij elke stap die hij zet de dreiging van dat onzichtbare doodseskader meeresoneert.

Dat ondervindt ook don Gaetano, de hoofdpersoon van Chiara's vertelling. Zijn dagen zijn geteld omdat zijn inmiddels door tragische omstandigheden om het leven gekomen zoon Corrado hem met torenhoge schulden heeft opgezadeld. Gokschulden, die eventueel kunnen worden vergeten wanneer don Gaetano bereid is het laatste stukje land dat hij bezit te verkopen. Maar dat weigert hij, omdat dit lapje grond, La Marina, hem dierbaar is en omdat hij onbuigzaam van aard is en bovendien niets meer te verliezen heeft. Hij speelt het spel niet meer mee, hij weigert het leven langer te beschouwen als `een schaakpartij' waar je geacht wordt te weten wat je kunt zeggen en wat je moet verzwijgen. En dus wordt hij een wandelende tijdbom, want compromisloos zijn in een omgeving waar `het compromis altijd het zout van een bepaald soort leven was geweest, en ook het voorgerecht en de rest', dat wordt niet getolereerd. Niet door de makelaar van het dorp, niet door de notaris en niet door al die andere respectabele heren die door een complex web van vriendendiensten en angsten aan elkaar gebonden zijn.

Op bescheiden afstand volgt Chiara deze eenzame, gepensioneerde directeur van een postkantoor op zijn omzwervingen door de omgeving van Caltanisetta. Tijdens een van zijn bezoeken aan La Marina ontdekt hij daar een gewonde haas. Hij ontfermt zich over `het dier in doodsstrijd' zonder zich ertoe te kunnen zetten het beest met een genadeschot uit zijn lijden te verlossen. Deze symbolische nevenschikking van de zieltogende haas en de ten dode opgeschreven don Gaetano is wat al te doorzichtig en vormt een dissonant ten opzichte van de subtiel gecomponeerde en gedoseerde vertelling. Ook in stilistisch opzicht vergaloppeert de schrijver zich nogal eens: `de wurggreep van de apathie', `de steekvlam van de angst', `het kleverige web van zijn innerlijke onrust'.

Aanzienlijk geslaagder is de fraai impliciet gehouden analogie tussen Sicilië en Corrado, het `enfant terrible' van don Gaetano. Deze gevoelige en moeilijke opvoedbare jongen komt na een letterenstudie in Bologna tot ieders verrassing terug naar zijn geboortegrond, vanwaar de jeugd juist in groten getale wegtrekt vanwege de armzalige toekomstperspectieven. Don Gaetano krijgt geen grip op deze jongen, die door zijn ontwijkende gedrag en zijn `houding van een minzaam vorst [...] met een volledig gebrek aan scrupules' een personificatie van Sicilië lijkt. Ook zijn fnuikende gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel en zijn roekeloze optreden passen in het profiel van de sicilianità, zoals bij monde van don Fabrizio beschreven in Tomasi's De Tijgerkat: een `insulaire gesteldheid', een `staat van onthechting' gekoppeld aan een raadselachtig maar onstilbaar doodsverlangen.

Sinds de verschijning van die illustere roman zijn er bijna 45 jaar verstreken, maar op die definitie lijkt de tijd nog altijd geen vat te hebben gekregen. Want Giovanni Chiara maakt duidelijk – en dat is een van de grootste verdiensten van dit zoveelste verhaal over Sicilië – dat de vooruitgang op Sicilië slechts uiterlijke schijn betreft. In plaats van kippen en varkens domineren nu schotelantennes en auto's het straatbeeld. In plaats van het hoefgeklepper van muilezels en de kreten van kinderen hoor je nu getoeter en `televisies die in koor staan te schetteren'. En de jeugd, Corrado incluis, droomt niet langer van een eerzaam bestaan maar van een gouden Rolex en een Lancia. Maar de angst is gebleven en nog altijd hebben de stenen oren op het duivelse eiland.

Verandering lijkt voor Sicilië niet weggelegd, niet zozeer omdat de maffia de status quo feilloos bewaakt, als wel door de paradoxale wens van elke Siciliaan, zo treffend verwoord in opnieuw De tijgerkat: 'Als wij willen dat alles blijft zoals het is, dan moet alles veranderen.' Hooguit de wurggreep van het fatalisme is knellender geworden: Tancredi, de neef van Don Fabrizio wilde nog ten strijde trekken met de manschappen van Garibaldi; Corrado, de zoon van don Gaetano, verlangt uitsluitend nog naar de annexatie van de goktafel.

Giovanni Chiara: De valstrik. Uit het Italiaans vertaald door Els van der Pluijm. Prometheus, 187 blz. ƒ34,25

Buitenlandse literatuur