Chagrijnige kolossen

Het Utrechtse universiteitsterrein De Uithof is in de loop van vijf jaar uitgegroeid tot een staalkaart van moderne Nederlandse architectuur.

Met een zekere vertedering spreekt Aryan Sikkema over de `chagrijnige kolossen' die hem als directeur huisvesting van de Universiteit Utrecht zijn toevertrouwd. Daarmee doelt hij op de eerste gebouwen die in De Uithof werden neergezet, in de jaren zestig, toen er vooral snel en goedkoop collegezalen en kantoren moesten komen. Ze moesten ook van beton zijn, vond de welstandscommissie, vanwege de moderne uitstraling. In ruim vijf jaar tijd is daar naast en tussen een hele nieuwe generatie avontuurlijke gebouwen verrezen. De Uithof heeft zich ontwikkeld tot een champ de mars voor de hedendaagse Nederlandse architectuur. Voor bouwend Nederland is een opdracht in De Uithof inmiddels net zo begeerlijk als vermelding in het Architectuur Jaarboek.

Toch heb je als buitenstaander aan je eigen ogen nog niet genoeg om in De Uithof samenhang te bespeuren. Je hebt er Sikkema bij nodig, met zijn verhalen en zijn enthousiasme. Dan pas zie je meer dan een grote vlakte waar toevallig hier en daar wat gebouwen zijn geparachuteerd. Dan pas kun je als buitenstaander zien dat er inderdaad een omslag plaatsvindt, van de tijd dat ze maar wat deden naar het moment dat er een lijn én een ambitie in begint te komen.

Maar je begrijpt zó wel dat de universiteit nu haar nek uitsteekt en haar vertrouwen heeft geschonken aan spannende, dus riskante architecten. Kennelijk beschikken Sikkema en architect Art Zaaijer, ontwerper van het stedenbouwkundig plan en in de praktijk supervisor van het gebied, over de juiste combinatie van bevlogenheid en drammerigheid om, laverend tussen de creatieve lastpakken enerzijds en de sceptische boekhouders anderzijds, iets bijzonders tot stand te brengen. ,,Toen ik hier vijftien jaar geleden begon had je met de kreet `sober en doelmatig' het onderwerp universitaire huisvesting helemaal gehad', zegt Sikkema. ,,Nu gaat het ook over onderwerpen als trots en schoonheid.'

Hoe chagrijnig die kolossen mogen zijn, ze zijn onmisbaar. ,,Ze hebben spierballen. En vergeet niet, in elke historische stad staan er ook gebouwen die helemaal niet mooi zijn! Mensen ook trouwens.' De Uithof moet net als een gewone stad jaarringen krijgen. ,,Je komt niet verder door je af te zetten tegen het verleden, maar door het te accepteren en verder te ontwikkelen.' Pas dan ontstaat er een verhaal, een begin van een geschiedenis. Inderdaad is het verhaal van het bouwen in de tweede helft van de twintigste eeuw hier aan af te lezen: het onsentimentele brutalisme van de jaren zestig, gevolgd door de omslag naar de neotruttige bruin-en-oranje kleinschaligheid van de jaren zeventig en het nondescripte van de jaren tachtig. Nu is er het heden, met de rimpelingen op Neutelings' Minnaert-gebouw, de golvingen van Ben van Berkels lab en de krommingen van Koolhaas' Educatorium, waar de vloeren in de muren overvloeien in een soort architectonisch delirium.

Recht = nieuw

De universitaire bestuurders van de jaren vijftig begrepen dat met de welvaartsexplosie na de Tweede Wereldoorlog, het aantal studenten enorm zou toenemen. Ze kochten ten oosten van de stad een terrein dat liefst 2,5 keer zo groot is als de historische binnenstad. Over het kabbelende oude landschap van geaccidenteerde polders en slootjes van deze Johannapolder, waar boerderij De Uithof stond, werd een strak grid gelegd. Scheef = oud, recht = nieuw. Alle wegen liepen noord-zuid of oost-west. Alleen het Oxfordpad loopt schuin - maar dan wel in een rechte lijn - richting Domtoren.

Een samenhangende gedachte over wat te doen met zo'n zee aan ruimte, behalve er de beesten van Diergeneeskunde onderbrengen, was er echter niet: er moest vooral gebouwd worden, en snel wat. De hoogleraren mochten niet met de architecten praten, dat hield de boel maar op. Door die overdaad aan bouwgrond kon men steeds de vraag hoe een nieuwe universiteit eruit moest zien, steeds ontlopen, schreef Art Zaaijer in het tijdschrift Archis. ,,Er heeft bij geen van de betrokkenen ooit enig wezenlijk idee bestaan over het hoe en waarom van een compleet nieuwe universiteit in De Uithof.'

Zowel medewerkers als studenten verzetten zich tegen `verbanning' naar De Uithof. In 1968 hielden ze ludieke verfsessies uit protest tegen het gebrek aan leefbaarheid van gebouwen als Transitorium II, de fantasieloze betonnen doos van tachtig meter hoog in het `centrum' van De Uithof. Het bestuur liet de bonte schilderingen grijs overspuiten en dat was dat. Het was overigens niet één en al treurnis wat de beginjaren brachten. Sjoerd Wouda legde een duidelijk inlevingsvermogen aan de dag bij de bouw in 1961 van Transitorium I, een langwerpig gebouw met een zigzag-dak. Langs de zalen legde hij een brede binnenstraat aan, waar de gebruikers konden ontsnappen aan de modder en het stof van de onafzienbare bouwput buiten. Nog altijd functioneert de binnenstraat goed als interne route én als ontmoetingspunt. Wouda was ook de bedenker van de olijke stookgebouwtjes die sprekend op een Bunsenbrander lijkt, met een hoge rechte pijp en een lang laag dak van rubberoid.

Dorpskern

Maar als geheel bleef De Uithof iets lukraaks houden. De universiteit vroeg het Office for Metropolitan Architecture (OMA) van Rem Koolhaas een stedenbouwkundig plan te maken. Art Zaaijer, inmiddels zelfstandig gevestigd maar nog altijd met OMA bij De Uithof betrokken: ,,Het idee achter dit plan is simpel. Per discipline zijn er clusters ontstaan, die bijna het formaat van een dorpskern hebben. Die krijgen strenge grenzen: daarbinnen mag alles - stapelen, slopen, overkappen, verhogen, verdichten -, daarbuiten mag niets. De gebouwen mogen niet als een olievlek de open ruimte overspoelen. Er moet juist een helder onderscheid zijn tussen de bebouwde clusters en de groene open ruimte.'

Gezichtsbepalend voor de cluster aardwetenschappen is het Minnaert-gebouw van Willem-Jan Neutelings. Onder de roodbruine huid van de gevel krioelen dikke wormen, of zijn het littekens? De gevel rust op hoge stalen letters die de naam van de geleerde Minnaert vormen. De binnenkant is verstilder en sensationeler tegelijk. In de grote hal op de eerste verdieping - de gebouwen van de cluster zijn allemaal met loopbruggen met elkaar verbonden - ligt langs de ene gevel een bassin dat het regenwater van het dak opvangt en langs de andere rozerode nissen ('knuffelhoekjes') in de vorm van sleutelgaten.

Een paar gebouwen in de omgeving lijken clusters op zichzelf te vormen. Voor een faculteit van het hbo zette Erick van Egeraat, toen nog van het bureau Mecanoo, midden jaren negentig een feest van een gebouw neer. Buiten lijkt het één strakke, gladde gevel van glas, binnen blijkt het uit drie verschillende paviljoens te bestaan, met patio's met bamboe, water of een rotstuin. Minder subtiel maar even doordacht is het Cambridge-complex van Rudy Uytenhaak, die liefst 1002 studentenkamers tot een mini-stad heeft gevouwen en gestapeld, met een driehoekige tuin ernaast naar ontwerp van het Rotterdamse bureau West 8. All the usual suspects uit de hippe ontwerpwereld, zou je zeggen, ware het niet dat de universiteit ze dat juist heeft helpen worden.

Verrommeling

Met dat onverwoestbare vooruitgangsgeloof waarmee architecten dwars door het heden kunnen kijken kan Art Zaaijer zich al helemaal voorstellen hoe het centrumgebied van De Uithof wordt: eenheid en daardoor rust in het straatmeubilair, vloeiende voet- en fietspaden tussen de gebouwen, een nieuwe fietssnelweg, een gestroomlijnde busbaan voor het HOV (hoogwaardig openbaar vervoer). Vandaag moet die schone toekomst zich nog openbaren. Achter een haag van aangeslibt straatmeubilair — glasbakken, afvalbakken, uitpuilende vuilniscontainers, bankjes in diverse soorten, hekken, borden, palen, knotwilgen behangen met fietsen, en fietsrekken — ís er veel open ruimte, maar door de verrommeling ervaar je die niet. Wat dat betreft is De Uithof Nederland in een notendop.

Daarom kwam hier het Educatorium, een en al hellingbanen, schuine gevels en in elkaar overvloeiende ruimtes die als een verdeelschijf Trans I en II verbindt. De schuine vloer van het auditorium loopt, inclusief parket, door in een krul in de gevel - een kruising tussen een halfpipe voor skaters en een Belgische hotelkamer waar het bloemetjesbehang rondom loopt. `Het Educatorium is geen gebouw met gangen en zalen, maar een aaneenschakeling van velden', schreef de jury die dit gebouw in 1999 de Rietveldprijs toekende. `Het interieur is een driedimensionaal landschap.'

Om af te rekenen met de homeopathische verdunning van de openbare ruimte in het centrumgebied wordt hier ook de `Basketbar' van NL Architects gebouwd, een grand café met een basketbalveld op het dak, en, eindelijk, de bibliotheek waar al acht jaar over wordt gesproken. Het ontwerp van Wiel Arets wordt een zwarte doos van 100 meter lang en 36 meter hoog van zwart beton en glas met een zonwerend patroon van zwarte bladeren. Die moet eind 2004 klaar zijn, samen met nog meer gebouwen van de generatie van het nieuwe millennium: een ingangsgebouw voor de Hortus van MVRDV, nog vierhonderd studentenkamers van Köther Salman, een bedrijfsverzamelgebouw van De Architecten Associatie, kinderopvang van Drost & Van Veen en een TNO-instituut van Jan Hoogstad waarvan de bouw al is begonnen.

Uiteraard functioneert een directeur huisvesting niet in een vacuüm: de beslissing over dergelijke grote investeringen ligt bij het college ven bestuur. Met Arets' bibliotheek alleen al gaat anderhalf jaarbudget van de afdeling huisvesting heen. Sikkema en Zaaijer moeten wel vaak al hun overtuigingskracht inzetten om de vraag te pareren: wat hebben we aan die architectonische hoogstandjes? Zijn ze meer dan een opvallend visitekaartje?

De staalkaart op De Uithof is geen doel op zichzelf, zegt Sikkema stellig, laat staan een persoonlijk monument. ,,De stedenbouw en het landschap zijnbelangrijker dan de architectuur: als die goed zijn, kun je de minder fraaie gebouwen wel lijden en dienen de mooie als compensatie. De straat is belangrijker dan het gebouw.' Een fraaie omgeving komt het werken en studeren ten goede, daarvan is hij overtuigd. ,,Je werk geeft je een gevoel van eigenwaarde, en daar hoort het gebouw bij. We hebben niet genoeg gebeeldhouwde grachtenpanden voor iedereen, dus bieden we die kwaliteit op een andere manier. Bovendien: de universiteit van tegenwoordig kan het zich niet veroorloven studenten een onaantrekkelijke omgeving te bieden.' De onherbergzaamheid wordt minder, constateert hij met een droge glimlach.

Wanneer is het af?

,,Nooit.'

Volgende week verschijnt ter gelegenheid van het 365-jarig bestaan van de universiteit bij V+K Publishing het boek `Architectuur Universiteit Utrecht' met foto's van Edwin Walvisch (80 blz., f 59,90).

Regelmatig vraagt het universiteitsbestuur: wat hebben we aan die architectonische hoogstandjes?

Gerectificeerd

Per abuis is vorige week de naam van de fotograaf bij het stuk `Chagrijnige kolossen' over De Uithof in Utrecht (CS 25-5, p.7) weggevallen. De foto's waren van Leo van Velzen. De rubriek De Galerie van vorige week was geschreven door Sandra Heerma van Voss.

    • Tracy Metz