Waarom toch niet gewoon water?

Vroeger lesten sporters hun dorst bij de kraan, nu slikt iedereen dure drankjes die de meest fantastische effecten beloven.

BRUINE BONEN, DAT WAS goed als je ging sporten. Zei mijn moeder. Daar werd je sterk van. Of gewoon goed eten: havermout bij het ontbijt; 's middags bruine boterhammen en een glas melk, 's avonds verse groenten en – als mijn ouders het konden betalen een dag voor de wedstrijd een biefstukje. En als apotheose voor het slapen gaan: een lepel levertraan het middel tegen alle ziekten.

De jeugdleider stond voor de wedstrijd klaar met een zak suikerklontjes. Iedereen kreeg één klontje, dan pakte hij zijn plastic citroen, kneep erin en liet op elk klontje twee druppeltjes citroen vallen. Het was smerig, maar het middel zou ons vast wel helpen in de wedstrijd. In de rust verdrongen we ons voor de kraan om onze dorst te lessen met water, waarna de jeugdleider weer rondging met suikerklontjes en het plastic citroentje. Tijdens de wedstrijd dronken we niks soms wanneer het warm was holde er een het veld uit om snel een slok water uit de kraan te halen.

Na afloop was er weer water, water en nog eens water of als de club goed bij kas was een flesje sinas voor allemaal.

Later hadden we een elftalleider die voor de wedstrijd tabletjes druivensuiker uitdeelde en kregen we in de rust thee, nadat we eerst water uit de kraan hadden gedronken. Na afloop eerst water uit de kraan om ons voor te bereiden op bier, dat in een krat de kleedkamer werd binnengesleept.

Weer later, ik was intussen doorgedrongen tot het eerste elftal van een amateurhoofdklasser, werd een paar uur voor de wedstrijd een `sportmaaltijd' gepresenteerd met een flinke biefstuk, zo rood mogelijk. Tegen de spanning en tegen de hoofdpijn – omdat ik een speler was die veel kopte, nam ik preventief veel koffie en stiekem een aspirine. In de rust was er weer slechts water en thee en afloop water en veel bier.

We trainden drie keer in de week, van kilometers bosloop tot kilometers rond het voetbalveld. Maar altijd bleven we ons beperken tot water, frisdrank en bier of een aspirientje tegen de hoofdpijn.

Plotsklaps trad een man tot de club toe die zich aandiende als masseur, een man die je lichaam kneedde en zei dat Coca Cola goed was, omdat er veel suiker en veel caffeïne inzat. Goed voor het herstel, hoewel mijn moeder me leerde dat het bocht was en mijn maag verpestte.

Niet lang na de Coca Cola kwamen de sportdrankjes. Ze zouden druivensuikers bevatten en andere middeltjes die niet alleen de dorst lesten maar ook voor meer energie voor en na de wedstrijd beloofden te zorgen. Iedereen geloofde daarin, niemand die meende dat er misschien schadelijke stoffen in zouden kunnen zitten of dat het gewoon niks bevatte helemaal niks, gewoon een placebo, een marketingstunt van een bedrijfje met een tot de verbeelding sprekende naam. Zoiets als Energy, Superdrink of Powerjuice.

Perrier, l'eau que petille, duizenden flesjes dronken een halve eeuw lang de wielrenners in de Tour de France om hun dorst te lessen. Vóór de etappe, 's morgens bij de start, verdrongen ze zich voor de kraam van Café de Colombia en dronken ze teerzwarte koffie wel vijf bekertjes achterelkaar. Ze dronken natuurlijk ook wat anders, zeker als het koud was: cognac en rum met antigrippines of ook met amfetamines en wekamines. Toverdrankjes waarvan de haren op de armen recht overeind gingen staan en de oogpupillen zich verwijdden alsof de consument mescaline had geslikt. Maar dat was échte doping.

Maar Perrier verdween uit de Tour de France. Het bruisende water dat tot zo'n opluchtende boer leidde, werd vervangen door Coca Cola. Niet omdat het een lekkerder en geestverrijkender drankje was, maar omdat Coca Cola de Tourdirectie meer geld gaf. Principiële renners weigerden aanvankelijk het vocht te nemen, hoewel ze daar als Tourrenners toe verplicht waren. Enerzijds wilden ze zelf beslissen wat ze dronken, anderzijds wantrouwden ze de drank omdat er toch een of andere stof in kon zitten die het lichaam uit balans kon brengen.

Nu drinken de Tourrenners Cola alsof het water is. Ze drinken nu alles wat naar energieverhogend of herstelbevorderend riekt als het maar is goedgekeurd door de ploegarts of de verzorger. Wie op water rijdt, is gek. Een paar jaar geleden was er een Franse renner die demonstratief alleen water dronk. Hij werd weggehoond. Want een wielrenner dient zichzelf te `verzorgen', wat betekent pillen en drankjes vol mineralen en vitaminen nemen.

Niet alleen Tourrenners, maar ook andere sporters die grote prestaties willen leveren verzorgen zich op die manier. Als ze geen stimulerende middelen nemen die verboden zijn omdat ze ongezond en concurrentievervalsend zijn, nemen ze wel middelen die op een of andere manier het lichaam de spieren, de organen en de geest intact beloven te houden.

Koffers vol creatine nam de Nederlandse olympische ploeg mee naar de Spelen van 2000 in Sydney. Zoals de Nederlandse voetbalselectie tijdens het WK van 1998 in Frankrijk en het EK van 2000 in Nederland en België kon beschikken over zoveel creatine als ze maar wensten. Creatine is een product dat vooralsnog niet schadelijk is gebleken voor de gezondheid maar wel herstelbevorderend is en daarom gek genoeg niet te boek staat als doping. Daarnaast kan de sporter zich te goed doen aan tal van pilletjes en drankjes (min of meer op basis van kruiden). Als het niet mueslirepen of powerbars zijn, dan is het wel een mix van kruiden, homeopathische middelen of ginseng. Een krachtmeting zonder hulpmiddeltjes bestaat niet meer. Slechts enkelen vatten weleens het `studentikoze' idee op een wedstrijd te organiseren waarvan het de deelnemers is verboden vanaf twee uur voor tot na de wedstrijd niets te eten en te drinken. Dát is pas sport, nietwaar.

Jaren na het bruinebonenrecept meldde ik me aan bij een sportfitnesscentrum. Om mij heen zitten nu vrouwen en mannen van alle leeftijden op een fiets of ze sloven zich uit op een loopband. Binnen handbereik hebben ze een fles (of een bidon) met een of ander duur vocht dat energietekorten zou aanvullen en vitaminen- en mineralenverrijkend zou zijn. De een draagt een haarband en de ander doet zich na elke oefening te goed aan rek- en strekoefeningen, maar ik loop na mijn work out – stiekem – naar de kraan voor fikse slokken water. Na afloop heb ik in de kantine de keus uit een tiental magische drankjes. Maar een biertje is me liever dan een drankje uit een vitamines- en mineralentank met de swingende naam van een fabriek die mij meent te moeten vertellen dat sporten alleen gezond is als ik na afloop toverdrank neem. Alsof sporten zonder toverdrank ongezond is en sporten zonder suppletie van mineralen, vitamines en kruiden niet mogelijk is.

    • Guus van Holland