Vreugde om martelaarschap snel voorbij

Palestijnse ouders worden gelukgewenst met hun zoon die martelaar is geworden. Maar vroeger of later slaat de depressie toe. ,,De waarheid is te groot voor de ouders.''

Zo heb je een zoon, en zo heb je een martelaar en komt de hele buurt je feliciteren. Het overkwam vorige week maandag Qassam Abu Kweik, een kleine man van begin veertig: ,,Ik ben zó trots! Het martelaarschap is de hoogste eer'', zegt hij, zittend in een kring van familie en vrienden voor zijn huis in een van de naamloze straten van vluchtelingenkamp Het Strand in Gaza-stad. In 1948 werden de ouders van Qassam Abu Kweik door de Israëliërs uit hun huis in de plaats Lod gejaagd, sindsdien woont de familie hier.

,,Mijn zoon is niet dood'', vervolgt Qassam. ,,Martelaren gaan direct naar de hemel en blijven daar in leven. Moge mijn andere zonen ook martelaren worden, moge ikzelf martelaar worden! Dood aan de joden!''

Er gaat Turkse koffie rond, dadels, Coca Cola en kopieën van de afscheidsbrief van Arafat Abu Kweik, Qassams zoon. Hij was 21 jaar oud, vierdejaars student pedagogiek aan de Islamitische Universiteit, toen hij zichzelf op 14 mei opblies bij de joodse nederzetting Kfar Darom in Gaza. Bij de aanval werden enkele Israëlische soldaten licht gewond.

,,Ik hoorde maandagmiddag op de radio dat een onbekende een operatie had uitgevoerd tegen de bezettingstroepen'', vertelde Qassam. In zijn hart voelde hij dat het Arafat was, een paar uur later kwamen activisten van de moslim-fundamentalistische Palestijnse organisatie Hamas dat voorgevoel bevestigen. Op dat moment had Qassam al de foto gevonden die Arafat van zichzelf met de zelfontspanner had gemaakt; van iedere martelaar worden posters vervaardigd met de datum van overlijden en een foto. Overal aan de muren in vluchtelingenkamp Het Strand hangt nu de zelfgemaakte en daarom licht onscherpe foto van Arafat, in zijn linkerhand een pistool, in zijn rechter een koran. Op de achtergrond staat de Koepel van de Rotsmoskee in Jeruzalem.

,,Arafat heeft nog afscheid van me genomen'', vertelt Qassam, ,,maar ik lag half te slapen. Hij stak z'n hoofd om de hoek en zei: `ma'a issalama ya baba, dag vader'.'' Hij valt even stil. ,,Ik had het niet door, anders had ik hem wel omhelsd.''

Nabestaanden van iedere Palestijnse martelaar krijgen van de Iraakse leider Saddam Hussein 10.000 dollar, terwijl Hamas zorgt voor een maandelijkse uitkering waarvan andere familieleden bijvoorbeeld kunnen studeren. Maar Qassam wil er niks van weten, ook al mag hij al acht maanden niet naar zijn werk in Israël en leeft het nu elf leden tellende gezin van steun van familie. ,,Als het Arafat om geld te doen was geweest, was hij wel collaborateur geworden. Al het geld gaat naar de moskee.''

In zijn kantoor een paar kilometer verderop zucht de psychiater Iyad Seraj diep: ,,Deze reacties zijn klassieke gevallen van ontkenning''. De waarheid dat hun kind aan flarden is geschoten of in duizend stukken uiteengespat, is te groot voor de ouders, zegt Seraj, waar nog bijkomt dat de omgeving hen behandelt als helden en geluksvogels, in plaats van als slachtoffers. ,,Na anderhalve maand is dat voorbij'', zegt Seraj. ,,Dan komt de klap. Familieleden belanden in een diepe depressie.''

Seraj geldt als de beste Palestijn in zijn beroepsgroep. Zijn theorie lijkt bevestigd te worden door de lotgevallen van Sa'da Inseu, een vrouw van midden veertig maar met het voorkomen van een bejaarde. Haar zoon Hamdi voer op 7 november met een boot in op een Israëlisch legervaartuig. De boot was geladen met 120 kilo dynamiet. Volgens Israël werd geen enkele soldaat gewond, de Palestijnse autoriteiten meldden dat alle passagiers van het vaartuig waren gedood of gewond.

,,We wisten niks'', herinnert Sada zich de periode na de explosie. Pas anderhalve maand na de operatie kwam Hamas melden dat de 27-jarige Hamdi nu een martelaar was. Buren kwamen feliciteren, de muren werden behangen met posters van Hamdi, en Hamas bracht 300 dollar voor de begrafenis, en toen nog een eenmalige uitkering van 700 dollar. Van het geld van Saddam Hussein knapte de familie het huis op, in hetzelfde vluchtelingenkamp Het Strand.

Op de vraag hoe ze met één woord het martelaarschap van haar zoon zou beschrijven, kijkt Sa'da weg. ,,Het is de zoveelste ramp. Eerst werden we door de joden verjaagd uit ons huis, toen stierf mijn man, toen verdween mijn zoon Marwan naar Soedan omdat hij hier wordt gezocht door de Palestijnse autoriteiten. En nu is Hamdi dood. Allah weet meer.'' Iyad Inseu, na het wegvallen van Hamdi en Marwan nu de oudste zoon en man des huizes, vertelt hoe hij tijdens de eerste intifadah door de Israëliërs in zijn buik is geschoten. Hij was toen tien jaar oud. Sindsdien heeft hij ademhalingsproblemen, hartkloppingen en zit hij vaak uren bewegingloos op een stoel. ,,Hamdi was mijn grote broer. Hij gaf me steun en advies. Ik mis 'm heel erg, maar ik ben in ieder geval blij dat hij niet `gewoon' is gestorven, in een auto-ongeluk of zo.''

Voor dergelijke somberheid lijkt bij Qassam vooralsnog geen plaats. Na een verhaal over hoe creatief, vroom en goed opgeleid zijn zoon Arafat was, geeft hij een rondleiding door de betonnen bouwval waarin hij woont. ,,Ik droomde vannacht van Arafat'', zegt hij. ,,Hij was omringd door fonteinen en goud, overal goud. Kijk, dit was Arafats kamer.'' Het is een hok van drie bij drie met gaten in het dak en posters van andere martelaren aan de muur. Heel stilletjes komt Yasser, Qassams oudste zoon, binnen. Hij fluistert: ,,Ik wil je iets laten zien, maar mijn vader mag er niet bij zijn.'' Dan loopt hij naar zijn eigen kamer. Vader blijft buiten staan, Yasser doet de deur goed dicht, pakt een plastic vuilniszak en begint er kledingstukken uit te halen. ,,Deze heb ik gekregen van Hamas'', zegt hij hulpeloos. Het zijn de kleren die Arafat aan had tijdens zijn aanval. Door de plastic zak waarin het wordt bewaard, is het bloed op de kleding nog niet helemaal opgedroogd. Een enorme stank vult de kamer. Yassers vingers gaan langs de tientallen kogelgaten in de broek. Het bovenste deel van het jack ontbreekt want Arafats lichaam werd door een soort granaat uiteengereten. ,,Ik heb geen idee wat ik hiermee moet'', fluistert Yasser, een van Arafats schoenen in zijn hand. Dan stopt hij alles terug in de zak. ,,Het was Arafats eigen keus.''

Maar waarom mocht zijn vader niet de kamer mee in? Yasser knippert met zijn ogen: ,,Mijn vader houdt het nu net vol. Maar als hij deze kleren ziet, en die kogelgaten, en dat afgescheurde jack... Dat wordt z'n dood.''