Leve de loongolf!

Paniek in polderland. Net nu we eraan gewend raakten, valt de economische groei plotseling weg. Ondertussen stijgen de prijzen met meer dan vijf procent. Het verstofte woord `stagflatie', de combinatie van stagnatie en inflatie uit de jaren zeventig, is uit de mottenballen gehaald. De autoriteiten trekken hun zorgelijkste gezicht, kabinetsleden waarschuwen voor een loon-prijsspiraal en herhalen hun mantra voor loonmatiging. Volgens president Wellink van De Nederlandsche Bank is het concurrentievermogen van de Nederlandse economie weggezakt naar het niveau van de treurige jaren tachtig.

Is het Dutch miracle weer terug bij de Dutch disease? Dat valt wel mee, meent professor Eric Bartelsman, hoogleraar algemene economie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. ,,Wellink heeft gelijk dat het concurrentievermogen is verminderd – maar dat moest ook wel omdat de vraag naar Nederlandse producten veel te sterk was. Dit wil niet zeggen dat ons concurrentieniveau nu slecht is.''

Bartelsman relativeert ook de zorgen om de inflatie en de lonen. Nederland heeft geen eigen inflatie omdat de gulden niet meer bestaat. En volgens hem zijn loonstijgingen niet het probleem, maar het mechanisme van de oplossing.

De kwestie is, zegt Bartelsman, dat de beleidsmakers in hun denken vastzitten aan de tijden van hoge overheidstekorten, hoge werkloosheid en het akkoord van Wassenaar voor loonmatiging (1982). In die tijd had Nederland nog een eigen munt. Sinds 1999 is de gulden niet anders dan de verschijningsvorm van de euro en maakt de Nederlandse economie deel uit van euroland. Voorzover hier sprake is van geldontwaarding, is dat die van de euro. Verder stijgen de relatieve prijzen in Nederland sneller dan in de rest van euroland. ,,De Nederlandse prestaties zijn namelijk beter dan het gemiddelde van euroland,'' stelt de VU-hoogleraar vast.

Al jarenlang is sprake van een grote vraag naar Nederlandse goederen en diensten. Nederland is overspannen – zie de gestegen huizenprijzen, de vraag naar arbeid, de drukte op de wegen. De economie knapt uit haar voegen en dan moet niemand verbaasd opkijken dat de prijzen stijgen. Waarschuwingen over een loon-prijsspiraal slaan de plank mis. Ieder handboek markteconomie leert immers dat bij toenemende vraag de prijzen omhooggaan.

Waarom groeit de Nederlandse economie al jaren zo uitbundig? Eén oorzaak is dat in 1998, toen de onderlinge wisselkoersen van euroland definitief werden vastgeklonken, de gulden te goedkoop in de euro is opgegaan. De gulden had niet bevroren moeten worden op 2,20371 voor één euro, maar op bijvoorbeeld twee gulden voor een euro. De Nederlandsche Bank heeft in het diepste geheim nog pogingen ondernomen om de gulden op het laatste moment te revalueren, maar dat bleek op zoveel verzet van andere landen te stuiten, dat hiervan is afgezien. Het concurrentievoordeel van de ondergewaardeerde gulden wordt nu via de hogere dan gemiddelde prijsstijgingen weggewerkt.

Ten tweede krijgt Nederland de rekening gepresenteerd van de loonmatiging. De economie draait op volle toeren, met een werkloosheid van 155.000 mensen is sprake van volledige werkgelegenheid – afgezien van de grote inactiviteit die is verborgen in de sociale zekerheid. Werkgevers zijn maar al te graag bereid om voor goed personeel extra salarissen te betalen. Zoals het onderzoeksbureau OSA in een deze week verschenen publicatie over krapte op de arbeidsmarkt stelt: ,,Arbeid is schaars geworden [...] de krapte heeft inmiddels een loonopdrijvend effect gekregen [...] met name in bedrijven en sectoren met bovengemiddelde arbeidsmarktknelpunten.''

Zolang bedrijven volle orderportefeuilles hebben, kunnen ze hun werknemers meer betalen. In de collectieve sector is dat niet het geval, daar is de loonruimte in het regeerakkoord vastgelegd. De grootste personeelsproblemen doen zich voor waar de loonflexibiliteit het kleinst is. De problemen in de gezondheidszorg en het onderwijs zijn mede veroorzaakt door de loonpolitiek in de collectieve sector. Het personeel trekt weg naar de particuliere sector, te beginnen bij de best gekwalificeerde mensen, en de instroom van studenten in beroepsopleidingen om in ziekenhuizen of scholen te gaan werken, neemt af.

Het antwoord moet niet zijn om op te roepen tot geleide loonpolitiek, meent Bartelsman. ,,Nederland is een kleine regio binnen euroland, zonder zelfstandig monetair beleid. Zolang er geen Europese arbeidsmarkt bestaat die goed functioneert om knelpunten op te vangen, is loonflexibiliteit het enige aanpassingsmechanisme. Totdat de groei in Nederland afremt naar het Europese gemiddelde, moet je de werking hiervan niet tegenhouden.''

De stijging van de relatieve lonen en prijzen in Nederland is een inhaalslag. Vroeg of laat komt het moment waarop de Nederlandse groei afzwakt en dan vallen de loon- en prijsstijgingen terug. Ter illustratie van het effect van ingrijpen in de prijsvorming, maakt Bartelsman een vergelijking met de voormalige Sovjet-Unie. Er is veel vraag naar brood. Brood is populair, dus moet de prijs laag gehouden worden, besluiten de planeconomen. Met als gevolg dat er lange rijen bij de winkels ontstaan.

In de gremia van de overlegeconomie kunnen vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en de overheid met elkaar afspreken dat de loonmatiging moet worden voortgezet, maar de vergaderaars kunnen onmogelijk bepalen wat het geëigende loonniveau is. Dat kan het beste overgelaten worden aan de markt. Retorisch vraagt Bartelsman zich af: ,,zouden tien deskundigen het beter weten dan zeshonderdduizend particuliere ondernemers?'' Als de lonen in Nederland wat harder stijgen dan in de rest van euroland, dan is sprake van welvaartsgroei. Een knappe politicus die dat kan tegenhouden.

rjanssen@nrc.nl