Indisch auteur

Frits van den Bosch – niet veel mensen kennen zijn naam, maar hij behoorde tot de top van de laatste generatie schrijvers die het vroegere Nederlands-Indië heeft voortgebracht.

In mijn herinnering was het Hella Haasse die het eerst de aandacht vestigde op het verhaal Het regenhuis, in 1963 verschenen in het Gastenboek van Singel 262. Ook Rob Nieuwenhuys signaleerde het in zijn Oost-Indische Spiegel (1972). Een andere criticus die het talent van Van den Bosch al vroeg opmerkte was Hans Warren. Ook hij was, net als Nieuwenhuys, gefrappeerd door de grote stijlbeheersing van het verhaal: `Van den Bosch weet precies hoe hij de zaken aan moet pakken, hij is een meester in het suggereren en weglaten.' Warren zag ook in dat Van den Bosch nooit een populaire veelschrijver zou worden; hij gaf te kennen `verheugder te zijn om dit éne kleine boekje dan om menige dikke roman of verhalenbundel van een gerenommeerd auteur...' Dat is inderdaad het patroon gebleven: Van den Bosch was het tegengestelde van een best seller-schrijver. Ondanks de lof die hij met Het regenhuis oogstte duurde het vijftien jaar voor het, met nog drie andere verhalen, in boekvorm uitkwam. Iedere mode was Van den Bosch vreemd; zijn bescheidenheid grensde aan wereldvreemdheid, hij deed wat dat betreft denken aan sommige andere Indische schrijvers, zoals de dichters Joke Moeljono en Han Resink, die ook weinig publiceerden en niet streefden naar bekendheid. Na zijn repatriëring in 1946 begon hij in Leiden aan een studie Nederlands die hij niet afmaakte; later werkte hij o.a. bij de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam. Frits van den Bosch stierf vorige week in Amsterdam en heeft maar een klein maar schitterend oeuvre achtergelaten: Het regenhuis (als boekpublicatie 1978); In een plooi van de tijd (1983); De man in de blauwe kamerjas (1987) en De stuurman van de Max Weber (1992), allemaal verschenen bij Querido. Zijn laatste werk, Aan de oever van ooit en nooit meer, stond aangekondigd voor dit voorjaar maar is helaas nog niet verschenen; het is verdrietig dat hij de publicatie niet meer zal hebben meegemaakt. Van den Bosch werd geboren in 1922, niet in Indonesië maar in Utrecht. Zo was hij dus formeel gesproken een totok, net als de met hem bevriende Tjalie Robinson (geboren in Nijmegen). Maar op zijn manier – ander milieu, andere scholing (hij zat in Batavia op dezelfde school als Hella Haasse: zij in de hoogste klas en hij in de laagste) – was hij toch bijna net zo Indisch als Tjalie. Al zijn verhalen zijn doortrokken van een authentieke, maar ook intelligent begrepen Indische mentaliteit, een indolente geresigneerdheid die zowel op Indische tradities als op een subtiel gevoel voor humor berust. Hij was heel muzikaal, een expert op het gebied van Krontjong en Stamboelmuziek, en hij had een uitzonderlijk oor voor taal. Sommige passages in zijn verhalen zijn geschreven in een ongelofelijk subtiel Indisch Nederlands, zo dat een buitenstaander het misschien niet eens merkt; hier en daar brengt een in Nederland ongebruikelijke woordkeuze je op het spoor, je hoort een on-Hollands ritme - maar dan ben je eigenlijk al verloren. Ook van de Indonesische taal en cultuur had Frits van den Bosch een gedegen kennis. De Nederlandse vertaling van het hoofdwerk van Yusuf B. Mangunwijaya, Het boek van de wevervogel (Meulenhoff 1987), is van zijn hand, evenals de amusante maar helaas weinig bekende Ballade van de betjak, in samenwerking met Fons Kwee-Tan (Ambo 1991). Het weerzien met Indonesië moet hem hebben aangegrepen. De vreemde en dubbelzinnige verhouding waarin je als Nederlander uit Indië tot Indonesië staat heeft hij meesterlijk onder woorden gebracht. Het land is in sommige opzichten totaal veranderd, zei hij, en in andere helemaal niet. Sommige dingen doen pijn, zoals wanneer je het meisje dat je nooit vergeet terugziet als een moeder van vier kinderen. Maar je bedenkt dan dat je je van háár leven ook nooit een bal hebt aangetrokken. Ze is een ander geworden, een vreemde; en toch: een vrouw die er wezen mag. Je hoeft je niet te schamen voor je keuze van toen.