Een Russische danseres

Bij goed weer wordt er elke zondagmiddag tussen Pasen en – pakweg – november een rollerdisco gehouden in het Central Park, ongeveer ter hoogte van de 72ste straat, Westside. Een particulier initiatief dat draait op vrijwilligers, die een stukje asfalt in het park afzetten met dranghekken en rond afvaltonnen gespannen touwen, op een plankier in het midden de muziekinstallatie opbouwen en vanaf een uur of drie de versterkers lekker hoog zetten. Iedereen die daar, op wat voor skates dan ook, een tijdje wil rondzwieren, stapt gewoon door de dranghekken de dansvloer op en mengt zich tussen de deelnemers. Er is een min of meer vaste kern die geen zondagmiddag overslaat, maar elke liefhebber is (gratis) welkom.

Het woord disco roept wellicht associaties op met glitter en glamour, maar niets van dat alles is hier het geval. Iedereen schaatst vrolijk in zijn gewone kloffie rond, bloter naarmate het weer het toelaat, al is het waarschijnlijk geen toeval dat onder een afzakkend roze topje op een glanzend zwarte huid een roze kanten bh zichtbaar wordt, dat het broekje van een op de herenliefde georiënteerde jongen zo prettig spant en dat de spierbundels in armen en op ruggen van mannen die er uitzien alsof zij de rest van de week in de sportschool doorbrengen bij het kilste windje nog geen afdekking door trui of T-shirt behoeven. En laat niemand denken dat zich hier uitsluitend de jeugd vermaakt. Er draaien opvallend veel ouderen in de rondte, tot regelrechte bejaarden toe, vooral heren die waarschijnlijk menen dat men hen tien jonger schat en die je de adem in de keel doen stokken als ze een sprong of een pirouette proberen te maken of leuk een been opgooien in de bocht; maar ook ouders met een kind tussen zich in. Er is vaak een latmagere, uitgeteerde aidspatient van een jaar of veertig op de baan, die rijdt als over eieren, en een vijftiger met één, daarna twee en soms zelfs drie op elkaar gestapelde plastic flessen water op zijn hoofd (het type vierkante Hollandse melkfles). De beste skaters zijn vaak het minst uit op bewondering van het publiek. Een circa twintigjarige, zwarte jongen, altijd gekleed in onopvallende sportbroek en -jack, maar met een lijf van elastiek, van wie je als leek pas na een tijdje ziet hoe subliem hij is, doet niet alleen moeiteloos alles wat anderen vergeefs proberen, maar behoedt die anderen ook nog met razendsnelle souplesse voor valpartijen die híj al ziet aankomen als zij nog maar net de eerste schrik om hun eigen geschutter oplopen.

Ik heb een paar duidelijke favorieten. De eerste is een lid van de staff, die ik aanvankelijk miskend heb, omdat ik, oppervlakkig als ik ben, weer te veel afga op het uiterlijk. Het is een man die nauwelijks anders te beschrijven valt dan als nekloze vleeskolos met kaalgeschoren hoofd en een tronie die doet vrezen dat hij net de voorafgaande nacht ontsnapt is uit San Quinton. Dat hij goed – zij het door zijn vleesmassa niet spectaculair – kan rollerskaten viel me pas na een paar keer op. Hij heeft soms de taak rond te rijden met het EHBO-etui onder de arm en dient als zodanig als troost en toeverlaat voor wie aan de kant moet gaan zitten en een pleister en jodium nodig heeft, maar bovendien is hij de onwankelbare steun voor meisjes die een kunstje op de rolschaats willen oefenen en daarbij op een mannelijke wederhelft moeten kunnen vertrouwen. Met hartveroverende goedmoedigheid rijdt hij met de dames aan zijn arm de baan rond.

Verder wordt mijn blik onweerstaanbaar getrokken door een opvallend paar dat prima op elkaar ingespeeld is. Hij is een pezige, zwarte man met aan één kant warrig rastahaar en aan de andere kant gemillimeterd. Hij schaatst met tedere zorg voor zijn partner, maar met een gekweld uiterlijk. Zijn met zweet beparelde hoofd is met wijd openstaande neusvleugels ver naar voren gestoken, zodat hij voortdurend een langsflitsende gargouille op een Franse kathedraal lijkt. Er kan geen lachje af. Zij daarentegen is een donkerblonde vamp met perfect opgemaakte mond, die zich loom en minzaam glimlachend door haar ploeteraar laat leiden en de sierlijkste draaiingen en onderdoortjes aan zijn arm maakt. Je ziet ze nooit zonder elkaar. Ook als ze even op de bank in het midden neerstrijken, zit hij getergd met zijn ellebogen op de knieën naar het asfalt te turen en hangt zij lieflijk languissant tegen hem aan.

Maar mijn grootste favoriete is de Russische danseres. Dit is een vrouw met – op het eerste gezicht – het lichaam van een Oost-Europees turnstertje van veertien. Haar strakgespannen wangen en altijd wat opengesperde ogen getuigen echter van minstens twee facelifts en dat ze een jaar of zestig is, zie je verder aan haar ouderwetse, suikerspinachtig opgestoken haar van geblondeerd grijs. Ze is een van de weinigen die wèl topjes met lovertjes, glittertjes of pareltjes dragen. Of ze inderdaad Russisch of Pools van origine is, weet ik niet, maar ze heeft het mooie-poppengezicht dat sommige Slavische vrouwen van het fragiele type hebben. Ik zie haar aan voor een in de tijd van de koude oorlog naar de VS gevluchte danseres van het Bolsjoitheater, maar verschil daarin van mening met mijn man, die het op de ijsrevue houdt.

Hoe het ook zij, ze is fantastisch! Oma skate iedereen eruit! Als een elegante schicht met alle handgebaartjes van het klassieke ballet schiet ze tussen de anderen door en weet, net als bovengenoemde elastieken jongen, behendig botsingen te voorkomen, met dit verschil dat hij dat volkomen achteloos doet en zij met veel vertoon van opgeheven handen, gedraai om iemand heen, en gespannen glimlach. Hij praat ook gewoon met anderen, zij heeft met niemand contact, is een absolute eenling, maar wel de ster van de disco.

Soms denk ik op zaterdag al aan haar. Zou ze al weten wat voor truitje ze morgen aandoet? En als ze dan op zondagmiddag opduikt, zwierend en zegevierend tussen de stoethaspels met hun lange, logge lijven, en een spagaatje afwisselt met een pirouetje, met handjes van een Balinese godin, dan geniet ik. IJsrevue? Niks hoor. Dit is onvervalst Bolsjoi. En een mooiere mengeling van Amerikaans `for ever young' en Slavische tragiek zie je in heel New York niet.

    • Rascha Peper