De rockwereld als een sprookje

Het duurt even voordat William Miller zo `man!' kan zeggen dat het cool klinkt. Hij is aan het begin van Almost Famous dan ook allesbehalve cool: vroegwijs, te klein voor de leeftijd die hij denkt te hebben en met een overbezorgde moeder die Romeinse keizers voor een opgroeiend jongetje belangrijker vindt dan de Griekse goden der popmuziek.

Het is begin jaren zeventig. William Miller is het alter ego van regisseur/scenarioschrijver Cameron Crowe, die in Almost Famous zijn eigen jeugdgeschiedenis verfilmde en voor het scenario een Oscar kreeg. Voordat Crowe beroemd werd met de voor meerdere Academy Awards genomineerde feelgood sportfilm Jerry Maguire (1997), verwierf hij faam als de jongste redacteur van het muziekblad Rolling Stone. Hij was toen zestien jaar. Het is een sprookje.

En Crowe laat er in zijn vertelling met ontwapenende eerlijkheid ook geen twijfel over bestaan dat hij het allemaal als een sprookje moet hebben ervaren destijds. Van zijn eerste concertbezoek, zijn kennismaking met het backstage universum van groupies, roadies, opgewonden managers en nukkige muzikanten, tot zijn tour met The Allmans Brothers (in de film het fictieve Stillwater). Hij laat het ook de toeschouwer als een sprookje voelen. Een sprookje waarin je welkom bent, zolang je Williams beschouwelijke blik deelt, dat ruimte laat voor je eigen dromen en herinneringen.

Almost Famous is behalve een coming of age-film, ook een geromantiseerd tijdsbeeld, een venijnige analyse van de vercommercialisering van de popmuziek vanaf het einde van de jaren zestig, een film over fans en journalisten, eerste liefdes, het gevoel nergens bij te horen, ergens bij te willen horen en een film over moeders en zonen. Het grootste verschil met de meeste semi-autobiografische films is dat Crowe geen enkele behoefte heeft gevoeld om zijn belevenissen, gevoelens, observaties op te blazen en zichzelf als held door zijn eigen leven te laten paraderen. Hij is de buitenstaander van nature. Net zoals de filmkijker, die soms wel zou willen dat hij deel had aan al die mooie levens op het doek, maar dan moet inzien dat de schoonheid ervan ook in zijn eigen kijken ligt.

Maar wat werkelijk betovert aan Almost Famous is dat hij zo liefdevol is. Geen enkel personage ontsnapt aan Crowe's scherpe blik, maar dat wil niet zeggen dat zijn acteurs ze niet met nuancering en compassie zouden neerzetten. Er moeten er enkelen genoemd worden, zoals Frances McDormand als beschermende moeder (,,Don't take drugs'', maar dan wel je zoon naar een optreden van Black Sabbath rijden), de jonge Patrick Fugit als William, Philip Seymour Hoffman als de leermeester-journalist Lester Bangs, Billy Crudup als Stillwater-gitarist Russell Hammond en Kate Hudson als zijn muze, de Band aid (,,No intercourse. We are here for the music. Just blow jobs'') Penny Lane. Wat een genot om te zien dat al deze acteurs de tijd hebben gekregen om te denken en te reageren. Ergens in het begin van de film heeft William een ontmoeting met de legendarische rockjournalist Lester Bangs, die hem aanraadt om ten allen tijde onafhankelijk en kritisch te blijven. De tegenpool van de Rolling Stone-redacteuren die hij later zou leren kennen, die ernaar neigden vriendjes te willen blijven met de sterren.

Op het moment dat je je aan de muziekindustrie overgeeft, de dag dat je niet meer ziet hoe stompzinnig hij is, houdt hij ook op écht te zijn, oreert Bangs in een lege diner: ,,Het wordt een Industry of Cool!'' William pakt al zijn pen om de uitspraak vast te leggen voordat Bangs is uitgesproken. Om dat soort observaties is het niet zo moeilijk om van deze film te houden.

Almost Famous. Regie: Cameron Crowe. Met: Billy Crudup, Frances McDormand, Kate Hudson, Patrick Fugit, Jason Lee, Anna Paquin, Fairuza Balk, Philip Seymour Hoffman. In: The Movies en Pathé Arthouse, Amsterdam; Cinerama, Rotterdam; Babylon, Den Haag; Cinecitta, Tilburg; Alhambra, Enschede; Lumière, Maastricht; Molenstraattheater, Wageningen.