Amerika kan geweldsspiraal in Midden-Oosten doorbreken

De regering-Bush moet duidelijk maken dat ze het huidige geweld tussen Israël en de Palestijnen niet accepteert. Ze moet het initiatief nemen om beide partijen weer aan de onderhandelingstafel te krijgen, vindt Dennis Ross.

We zijn getuige van een steeds verdere verslechtering van de toestand in het Midden-Oosten. Telkens worden er nieuwe drempels van geweld overschreden. President Bush heeft het over de Amerikaanse pogingen om de situatie in de hand te krijgen, maar de veiligheidsbijeenkomsten die worden belegd, de beperkte overeenkomsten die worden nagestreefd en de gedane uitspraken worden algauw weer overschaduwd door de gebeurtenissen en uitbarstingen ter plaatse.

Terwijl het geweld tussen Israëliërs en Palestijnen steeds meer een geheel eigen dynamiek lijkt te krijgen, betwijfelt menigeen óf daar wel een einde aan te maken is. Misschien moet het proces zijn natuurlijke verloop wel hebben. Maar eer we daarvan uitgaan, moeten we in elk geval bekijken of er geen alternatief is.

Eén ding is duidelijk: de nu gevolgde weg loopt dood. Min of meer aan hun lot overgelaten weten de Israëliërs en Palestijnen zich niet te onttrekken aan de neerwaartse spiraal van geweldpleging en militaire vergelding.

Voorzitter Yasser Arafat kennende, weet ik zeker dat hij nooit een eerste stap zal zetten – hij reageert alleen. Maar hij zal niet reageren op premier Ariel Sharon, want dan lijkt het of hij toegeeft. Wel zou hij kunnen reageren op een Amerikaans voorstel dat hem iets biedt waarop hij in het vredesproces kan wijzen en daarmee een verklaring vormt voor de stappen die hij zou moeten zetten om van zijn kant de orde te herstellen en het geweld te keren. Bij gebrek aan een Amerikaans of internationaal initiatief dat hem een rechtvaardiging geeft om het geweld te beëindigen, zal hij de toestand laten verslechteren in de hoop dat de internationale gemeenschap uiteindelijk wel moet ingrijpen en hem te hulp zal komen.

Premier Sharon van zijn kant wil geen misverstand laten bestaan: geweld loont niet, en zal ook nooit lonen. Hij weigert onder dreiging van geweld het politieke overleg te hervatten en zal zolang het geweld voortduurt militaire druk uitoefenen op Arafat en de voornaamste veiligheidsinstellingen waarop het Palestijnse gezag berust. Sharon heeft geen belang bij `hulp' van een derde partij, maar zou een initiatief kunnen aanvaarden mits dat geen beloning voor het Palestijnse geweld inhoudt.

Onder dergelijke omstandigheden groeit onherroepelijk de druk op de Amerikaanse regering om iets aan de situatie te veranderen. Ze moet daar alleen op ingaan als ze bereid is vast te houden aan een aantal nieuwe grondregels voor de Amerikaanse betrokkenheid, maar ook voor het Israëlisch-Palestijnse onderhandelingsproces.

Als er één les is te trekken uit het `Oslo-proces' voor vrede tussen Israël en de Palestijnen, dan is het dat we geen verschil meer kunnen accepteren tussen de werkelijkheid aan de onderhandelingstafel en die op straat. Onderhandelingen werken niet in een omgeving van geweld en ophitsing. Ze werken niet als de ene partij de vijandigheid en wrok aanwakkert en de ander zich niet ontziet om eenzijdige stappen te zetten waarmee die wrok verder wordt gevoed. Die nieuwe grondregels moeten leiden tot een duidelijke code voor het dagelijks gedrag.

De afgelopen acht maanden van geweld hebben elk zweem van vertrouwen tussen het Israëlische en Palestijnse volk weggenomen. In zo'n omgeving is het onmogelijk om een oplossing voor het conflict te zoeken. Het eerste doel moet zijn om de twee kampen weer tot een basisakkoord te bewegen: de Israëliërs krijgen veiligheid en een normaal leven; de Palestijnen krijgen een beëindiging van de Israëlische heerschappij over hun leven.

Alleen als beide volken gaan geloven dat de werkelijkheid ter plaatse het wezen van dat akkoord weerspiegelt, wordt het weer mogelijk om te gaan denken over een oplossing van de kernthema's van het conflict. Maar geen van beide zal dat gauw geloven.

Intussen moet er naar stabiliteit en naar een politiek proces worden gestreefd. Stabiliteit vereist dat de Palestijnen onvoorwaardelijk de terreur bestrijden. Voorzitter Arafat heeft ons altijd voorgehouden dat hij een beleid van `zero tolerance' tegenover terreur voerde. Dat moet worden hersteld en daarna ook niet meer herroepen kunnen worden. Plegers van terreurdaden moeten weer worden aangehouden en van echte rechtbanken echte straffen krijgen opgelegd.

Verder moet het geweld ophouden; dat is geen instrument dat naar believen kan worden in- of uitgeschakeld. Onafhankelijke Palestijnse milities moeten worden ontbonden en ontwapend – wat voor land laat zulke groeperingen hun gang gaan? De ophitsing in de media en op de scholen moet ophouden. Het voeden van wrok moet plaatsmaken voor een gerichtheid op vrede – met inbegrip van de erkenning dat geen van beide partijen voor 100 procent kan krijgen wat ze wil.

Ook de Israëliërs hebben hun verantwoordelijkheden onder deze nieuwe gedragscode. Er moet een einde komen aan hun economische en militaire belegering van de Palestijnen. De inbeslagname van eigendommen en de verwoesting van huizen moeten ophouden. De controleposten moeten worden opgeruimd. En de nederzettingen mogen niet meer worden uitgebreid. Zoals de Palestijnen moeten ophouden met hun voortdurende aanwakkering van de wrok, moeten de Israëliërs nalaten die wrok te voeden.

Geen enkel politiek proces kan zich op dit moment bezighouden met Jeruzalem, de vluchtelingen of de bepaling van de grenzen. Op afzienbare termijn – aangenomen dat er een gedragscode wordt overeengekomen – zou het politieke proces zich kunnen richten op de vorming van een Palestijnse staat, veiligheidsmaatregelen en een verdere ontkoppeling.

Het probleem is op dit moment niet om tot een pakket te komen dat – praktisch en psychologisch – voorziet in de behoeften van beide partijen. Het Egyptische-Jordaanse voorstel doet daartoe een poging; voor het rapport-Mitchell geldt hetzelfde. Het probleem is hoe een pakket van parallelle stappen en maatregelen in een initiatief moet worden omgezet.

De regering-Bush is daartoe in staat. Die zou beide partijen een pakket kunnen voorstellen, met daaraan gekoppeld een tijdschema voor de afzonderlijke stappen binnen dat pakket. Ze zou een vorm van toezicht kunnen instellen om te zorgen dat de stappen worden uitgevoerd. En ze zou haar eigen stempel op het geheel kunnen drukken door duidelijk te maken dat wie het pakket aanvaardt maar verzuimt zijn verplichtingen na te komen, daarvoor publiekelijk aan de schandpaal wordt genageld.

Meer dan wat ook, zou zo'n handelwijze blijkgeven van de ernst die de regering in Washington maakt met de instelling van grondregels. Te vaak zijn de Amerikanen er de laatste acht jaar voor teruggeschrokken om publiekelijk te wijzen op degenen die hun verplichtingen niet nakwamen.

Een nieuwe regering die niet gebonden is aan een bestaand proces, en die vastbesloten is de lessen uit het verleden te trekken, moet bereid zijn duidelijk te maken dat ze per se een andere `omgeving' wil scheppen. Ze moet bereid zijn opnieuw een basisakkoord te formuleren op grond waarvan beide partijen serieus kunnen streven naar beëindiging van het geweld.

Dennis Ross was directeur beleidsplanning op het ministerie van Buitenlandse Zaken onder president Bush senior en speciaal coördinator voor het Midden-Oosten onder president Clinton. Hij is nu als adviseur verbonden aan het Washington Institute for Near East Policy.

© LAT-WP Newsservice