Wie moeilijk doet over titel Máxima morrelt aan monarchie

Er is geen reden om af te stappen van een traditie die tot 1972 een plaats in de grondwet had en die voorzag in de titel koningin als echtgenote van de koning. Als Willem-Alexander koning wordt, moet Máxima koningin worden, meent Alis Koekkoek.

Mag Máxima koningin worden als Willem-Alexander koning wordt? Het is wonderlijk dat daarover een discussie is losgebrand na de indiening van het voorstel van rijkswet om aan prins Willem-Alexander toestemming te geven een huwelijk aan te gaan met Máxima Zorreguieta. De regering zegt namelijk helemaal niets over haar toekomstige titel in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel. Het is mogelijk dat de Kamerleden die vinden dat Máxima geen koningin moet worden zich hebben laten inspireren door de beschouwing van Harry van Wijnen op de opiniepagina van NRC Handelsblad van 19 mei èn door de passage in de memorie van toelichting over de titel Prinses van Oranje.

Harry van Wijnen betoogt dat Máxima niet automatisch koningin hoeft te worden als Willem-Alexander koning wordt. Hij geeft de voorkeur aan de twintigste-eeuwse traditie, waarbij de echtgenoot van de koningin Prins der Nederlanden werd of bleef, boven de negentiende-eeuwse, volgens welke de echtgenote van de koning koningin werd.

In Nederland kennen we evenals bijvoorbeeld in Engeland twee soorten koninginnen: de vrouwelijke koning en de vrouw van de koning. In 1890 volgde Wilhelmina als koningin haar vader, koning Willem III op; haar moeder Emma, was nu koningin-weduwe en werd wegens de minderjarigheid van Wilhelmina regentes. Toen Wilhelmina in 1901 huwde met Hendrik, werd deze `prins-gemaal'. Dat was ook de traditie in Engeland, waar in 1840 Albert als man van koningin Victoria Prince Consort werd.

In de toelichting op de Toestemmingswet kondigt de regering aan dat aan Máxima ter gelegenheid van haar huwelijk bij koninklijk besluit de titels Prinses der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau zullen worden verleend. Volgens Harry van Wijnen kan daarmee worden volstaan als Willem-Alexander koning wordt en hoeft zij geen koningin te worden.

Is er wel sprake van een twintigste-eeuwse traditie waarop Van Wijnen zich beroept? De titel koningin voor de echtgenote van de koning dateert van de Grondwet van 1815, toen het koningschap een grondwettelijke basis kreeg. Tot ver in de twintigste eeuw, namelijk 1972, is die titel in de Grondwet blijven staan. Vanaf 1938 noemde de Grondwet daarnaast `de gemaal van een regerende koningin'. De termen waren te vinden in de bepalingen over het inkomen van de koning en enige andere leden van het koninklijk huis, die in 1972 zijn vereenvoudigd. Er is geen reden om af te stappen van de traditie die tot 1972 een plaats in de Grondwet had. Als Willem-Alexander koning wordt, is Máxima koningin. Wie over deze titel moeilijk doet knabbelt aan de monarchie, die nu eenmaal mede steunt op traditie.

Dat Máxima geen Prinses van Oranje wordt, heeft een heel andere verklaring. Van 1815 tot 1983 stond in de Grondwet dat de oudste van des Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, de titel Prins van Oranje voert. In 1983 is de bepaling vervallen. Thans kan de titel bij koninklijk besluit worden verleend. In het licht van de grondwetsgeschiedenis is het heel zinvol de titel Prins of Prinses van Oranje te reserveren voor de vermoedelijke troonopvolger of -opvolgster. De regering wil voorstellen dit vast te leggen in de Wet lidmaatschap koninklijk huis. Het lijkt mij goed de traditie die in 1983 uit de Grondwet is verdwenen thans in deze wet op te nemen.

Een ander voornemen van de regering verdient minder instemming. Op de dag van de kerkelijke bevestiging van het huwelijk van prins Constantijn en prinses Laurentien, 19 mei 2001, meldde NRC Handelsblad dat ook minister-president Kok een kleinere omvang van het koninklijk huis wil.

Het koninklijk huis telt op dit ogenblik 16 leden. Acht personen, namelijk de zonen van koningin Beatrix, prinses Margriet en haar zonen, zijn lid van het koninklijk huis omdat zij krachtens de Grondwet de koning kunnen opvolgen. Daarbij komen nog drie echtgenotes van prinsen. Wanneer Willem-Alexander morgen koning zou worden, dan zouden de vier kinderen van prinses Margriet en twee echtgenotes hun lidmaatschap verliezen en zou het koninklijk huis in één keer nog maar tien leden tellen. De omvang van het koninklijk huis is dus nogal variabel.

Het criterium dat men krachtens erfopvolging de koning kan opvolgen is een goed criterium voor het lidmaatschap van het koninklijk huis. Het voorkomt in de eerste plaats discussie over A-prinsen en B-prinsen. Verder zijn aan het lidmaatschap bepaalde rechtsgevolgen verbonden, bijvoorbeeld voor de naamgeving en voor de beveiliging van de leden van het koninklijk huis. De desbetreffende voorschriften dragen bij aan de bescherming en daarmee aan de instandhouding van de monarchie.

Een ongeschreven rechtsgevolg van het lidmaatschap van het koninklijk huis is de ministeriële verantwoordelijkheid. De Grondwet zegt alleen dat de koning onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk. Voor de andere leden geldt een afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid, omdat hun optreden het openbaar belang kan raken. Zij kunnen immers ook betrokken worden bij de uitoefening van de koninklijke functie. In zijn `Beschouwing over het koningschap' heeft minister-president Kok vorig jaar een ruime uitleg aan deze ministeriële verantwoordelijkheid gegeven. Ten aanzien van de vermoedelijke troonopvolger, de echtgenoot van de koning en de echtgenoot van de troonopvolger geldt volgens de minister-president de ministeriële verantwoordelijkheid in principe voor al hun handelen. Dit gaat erg ver, in mijn ogen te ver. Deze opvatting kan leiden tot krampachtigheid en een overreactie zoals Kok tentoonspreidde nadat de Prins van Oranje te New York een begrijpelijke, maar minder gelukkige uitlating had gedaan.

Als de ministeriële verantwoordelijkheid te ruim wordt opgevat is er eerder behoefte aan beperking van het aantal leden van het koninklijk huis. Minister-president Kok komt nu met de oplossing van een probleem dat hijzelf heeft gecreëerd! Als een minister-president wat meer ontspannen omgaat met zijn verantwoordelijkheid voor leden van het koninklijk huis, dan is het niet nodig het aantal leden ervan te beperken. Een beperking van het aantal leden zou kunnen betekenen dat er helemaal geen ministeriële verantwoordelijkheid meer wordt aangenomen voor een aantal potentiële troonopvolgers. Dat is morrelen aan de erfelijke monarchie.

Alis Koekkoek is hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Katholieke Universiteit Brabant.