Staatsrecht in beweging

Ooit, in de vroege jaren zeventig van de vorige eeuw, zei minister-president Biesheuvel op zijn wekelijkse persconferentie eens, min of meer gekscherend: ,,Dames en heren, staatsrecht maken wij terwijl u erbij zit''. Ik kan me niet herinneren op welke kwestie hij doelde, maar ik weet wel dat dat zinnetje me sindsdien, bij het lezen of horen van staatsrechtelijke verhandelingen, vaak door het hoofd is gegaan.

Neem nu bijvoorbeeld het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid, dat van vele politieke vaders de afgelopen vijftien jaar geregeld wisselende interpretaties mocht krijgen. In het bijzonder dan inzake de vraag wanneer een minister tussentijds zou moeten aftreden. De grondregel is dat dat moet, als gebleken is dat hij niet (meer) het vertrouwen heeft van een parlementaire meerderheid. Zolang daarvan niet blijkt kan hij, hoe scherp de kritiek van sommige kanten geweest mag zijn en hoe zwaarwegend de kwestie in kwestie ook is, theoretisch rustig blijven zitten. Meer nog: wat buiten het parlement wel wordt aangenomen, namelijk dat een minister die in de problemen zit als het ware een vertrouwensuitspraak van de Tweede Kamer nodig heeft om aan te kunnen blijven, is in het Nederlandse stelsel een anomalie.

De hierboven beschreven negatieve vertrouwensregel stamt uit een tijd waarin regering en parlement nog veel meer (dualistisch) tegenover elkaar stonden. Uit een tijd dus waarin er geen besloten wekelijks `Torentjesoverleg' was met de regeringsfracties en een meerderheid van de Tweede Kamer zich niet al vooraf aan een regeerakkoord gebonden had.

In die nieuwe (huidige) situatie, waarin het aftreden van een of meer ministers mede als een coalitiezaak wordt beoordeeld, voelt een Kamermeerderheid natuurlijk vaker voor de rol van lam dan voor de rol van leeuw. Enkele voorbeelden. De CDA'er De Ruiter mocht als minister van Defensie (1982-'86) aanblijven omdat hij er, zoals hij zei, zelf niet van had geweten dat op zijn ministerie bekend was dat een Nederlandse kolonel Desi Bouterse en andere Surinaamse militairen had geadviseerd op hun weg naar een staatsgreep. Zijn partijgenoot Braks overleefde op Landbouw en Visserij ('82-'90) een paar keer overschrijdingen van Europese visvangstquota, mede dankzij hulp uit de CDA-fractie die voor een geheel nieuwe variant zorgde door in één geval te zeggen dat Braks immers `strafrechtelijk' niets viel te verwijten.

Alleen daarom al was er zo'n vijftien jaar geleden wel iets te zeggen voor de pleidooien van de VVD'er Bolkestein voor de zogeheten `Carrington-theorie'. Die theorie, naar de gelijknamige Britse minister van Buitenlandse Zaken, wil dat ministers vaker op grond van hun eigen oordeel, en zonder aansporing van het parlement, zouden moeten aftreden. Zoals Carrington deed in 1982, tijdens de Brits-Argentijnse Falklands-oorlog, na kritiek uit zijn eigen partij en mede om zijn premier, mevrouw Thatcher, te beschermen tegen de rechtervleugel van de Tories. En zoals VVD-minister Stikker (Buitenlandse Zaken) in 1951 deed toen hij te weinig steun kreeg van de VVD-fractie.

Sinds fractieleider Bolkestein in 1995 na het Srebrenica-drama ermee akkoord ging dat VVD-minister Voorhoeve aanbleef op Defensie, heeft die `Carrington-theorie' aan het Binnenhof haar beste tijd gehad. Voorhoeves partijgenoot en opvolger De Grave kon vorige week in elk geval onbekommerd het weekblad Vrij Nederland (19 mei) zeggen: ,,Ik vind absoluut dat ministers moeten kunnen aftreden, vanwege (wegens, j.m.b.) een inhoudelijk verschil, of als de Kamer het met je oneens is. Gewoon niet zeuren maar opstappen. Dat gebeurt veel te weinig. Ministers zouden vaker moeten opstappen. Maar bij Srebrenica waren zoveel partijen betrokken. Bovendien moet je uitkijken met de schuldvraag. Wat nu als je een verantwoorde afweging maakt en het gaat toch mis? Dat is het enge ervan. (...) Als je niks doet, draag je evengoed verantwoordelijkheid. Maar dáár word je nooit op aangesproken.'' Het klinkt als een citaat van Wim Kan, die ook vaak klaagde over dat `enge' van de politiek (,,Men kwetst er elkaar zo snel'').

Zogezien verbaast het nauwelijks dat nog niemand in de Tweede Kamer De Grave werkelijk heeft lastiggevallen, bijvoorbeeld door met het opzeggen van het vertrouwen te dreigen over het malle nieuws dat de marine voor de alweer bijna afgelopen Nederlandse vredesmissie tussen Ethiopië en Eritrea extra materieel heeft aangeschaft dat al aanwezig was bij de landmacht. Om zoiets te voorkomen is de verticale structuur per krijgsmachtdeel in de Defensietop, met eigen budgetten en staatssecretarissen per krijgsmachtdeel, nu juist een kwart eeuw geleden `gehorizontaliseerd' en is de figuur van de coördinerende chef-defensiestaf bedacht. Die plannings- en budgetcoördinatie – fundamentele zaak voor het functioneren van het departement – heeft blijkbaar nog niet zó diep wortel geschoten. De Grave heeft in dit geval `niks gedaan', zou hij er ook niet echt op worden aangesproken?

In het recente `Enschede-debat' in de Tweede Kamer kreeg De Grave, per motie aangevallen door het CDA en GroenLinks, steun van zijn PvdA-collega De Vries (Binnenlandse Zaken), die liet weten dat in het kabinet was afgesproken dat alle ministers zich gelijkelijk verantwoordelijk zouden verklaren. Ofwel: als de Kamer in een van ons het vertrouwen opzegt, krijgt zij een kabinetscrisis retour. De Vries is de afgelopen weken opgetreden als propagandist van een nieuwe theorie. Namelijk: ministers moeten niet aftreden, daar heeft niemand wat aan. Zij moeten zich verantwoorden, eventueel zelfs schuld bekennen, maar overigens aanblijven en de gesignaleerde problemen verhelpen. De berouwvolle herhalingsoefening als ministeriële verantwoordelijkheid.

Dag Stikker, dag Bolkestein, dag Carrington.