Een opperbevelhebber lost niets op

De chef-defensiestaf is ten onrechte de zondebok geworden van de kostenoverschrijding bij de Nederlandse vredesmissie in Eritrea, meent J. Schaberg.

Terwijl de mannen en vrouwen van het Nederlandse UNMEE-bataljon vakkundig hun werk doen, is in Nederland een rel uitgebroken over de kostenoverschrijding van deze missie. Ook wordt gesuggereerd dat er handjeklap is gespeeld met oud-militairen die leveranties hebben gedaan. Het zal allemaal wel terug te voeren zijn tot de zucht om risico's bij deze operatie uit te sluiten en het snel voor elkaar te krijgen. De chef-defensiestaf is inmiddels de zondebok geworden; hij heeft zijn taak als coördinator tussen de krijgsmachtsdelen niet goed verricht, zeggen politici uit de Tweede Kamer.

Tijdens de gehele Koude Oorlog waren de krijgsmachtsdelen hoofdzakelijk toeleverancier van opgeleide eenheden aan de NAVO. In geval van oorlogsdreiging kreeg de NAVO deze eenheden onder bevel en de taak van het krijgsmachtsdeel bestond dan verder hoofdzakelijk uit het geven van logistieke steun. De taak van de chef-defensiestaf lag voornamelijk bij het verdelen van het budget en het adviseren bij de politieke beslissingen. In de afgelopen tien jaar zijn de taken grondig veranderd. Nederland ging deelnemen aan vredes- of crisisbeheersingsoperaties. Werden die aanvankelijk nog door een krijgsmachtsdeel aangestuurd, steeds meer werd de noodzaak onderkend dit door de chef-defensiestaf te laten doen, die daartoe een taakuitbreiding kreeg. De recente problemen met de Eritrea-missie worden nu teruggebracht tot onvoldoende bevoegdheden waarover de chef-defensiestaf beschikt. Moet er geen opperbevelhebber komen om de krijgsmachtsdelen op hun plaats te zetten, zo klinkt het van verschillende kanten.

Een opperbevelhebber is verantwoordelijk voor alles wat er in de krijgsmacht gebeurt. Hij moet sturen en controleren op alle niveaus. Omdat politici hem daarop zullen aanspreken zal hij voortdurend op de hoogte moeten zijn van alles wat onder bepaalde omstandigheden politiek relevant kan zijn. Omdat we met een complexe organisatie te maken hebben met talloze specialiteiten en diversificaties, zal dit een enorme staf vergen. Die staf zal ergens in de Haagse contreien moeten worden ondergebracht en de opperbevelhebber zal vanuit die plaats zijn omvangrijke taak moeten uitvoeren.

Moet hij daarnaast ook de belangrijkste militaire adviseur van de minister zijn? En ook de centrale planner voor Defensie en de vertegenwoordiger van Nederland in tal van internationale organisaties, met andere woorden chef-defensiestaf? Dat is onmogelijk. De hoogste militaire adviseur en planner moet voortdurend gevraagd en ongevraagd bij de minister kunnen binnenlopen. Hij moet een bureau `in de gang om hoek' hebben. Bovendien vergt de functie van chef-defensiestaf voortdurende aandacht, volgen van internationale en nationale ontwikkelingen, anticiperen etc. Een opperbevelhebber geeft leiding aan een productieproces, dat vereist een heel andere zorg.

De functies van opperbevelhebber en chef-defensiestaf kunnen niet samengaan. Kiest men dus voor een opperbevelhebber dan moet er daarnaast een chef-defensiestaf zijn. Maar dat leidt tot competentiekwesties, tot verstarrende bureaucratische afspraken en rapportages, want de chef-defensiestaf wil geïnformeerd blijven. Twee van deze hoge en nevengeschikte autoriteiten op dat niveau zijn het recept voor eindeloos geharrewar, zoals een aantal landen inmiddels weet.

Toch moet het steeds weer opduikende probleem van aansturing van operaties waar meer krijgsmachtsdelen aan deelnemen, worden opgelost. Tegelijk moet dat niet worden overdreven. De operatie in Kosovo, waar zo'n 2.500 militairen bij waren betrokken, liep goed. Al jarenlang heeft Nederland, met internationale waardering, 1.500 tot 2.000 militairen bij SFOR, de NAVO-macht in Bosnië en daar is het soms heel wat riskanter dan in Eritrea. Grote terughoudendheid moet worden betracht bij het steeds weer opnieuw reorganiseren van de krijgsmacht en het goede dat is bereikt mag niet verloren gaan.

De functie van chef-defensiestaf moet centraal staan. Hij is, naast adviseur van de minister, al de centrale planner voor de krijgsmacht en hij stuurt de crisisbeheersingsoperaties aan. Eigenlijk is dat voldoende, mits het goed kan worden uitgevoerd. In dat laatste zit het probleem. Hij heeft onvoldoende directe toegang tot de informatie die bij de krijgsmachtsdelen aanwezig is. Dat komt niet door het bewust achterhouden van gegevens maar door een te complexe taakverdeling tussen de krijgsmachtsdelen en de chef-defensiestaf. Zo hebben, naast het Defensie-crisisbeheersingscentrum van de chef-defensiestaf, de krijgsmachtsdelen een eigen crisisbeheersingscentrum. De krijgsmachtsdelen hebben hun eigen operationele staf. Maar ook op centraal niveau is er zo'n organisatie-element. Het is allemaal verklaarbaar en is in het verleden zo gegroeid, maar het hoeft niet zo te blijven.

De toegenomen verantwoordelijkheid van de chef-defensiestaf voor het voorbereiden en leiden van crisisbeheersingsoperaties zou in de eerste plaats tot uiting moeten komen in een nieuwe en duidelijke taakafbakening met de bevelhebbers van de krijgsmachtdelen. Het is daarbij gewenst de bevelhebbers van de krijgsmachtsdelen ook in een nieuwe situatie duidelijk bevelhebber te laten. Zij zijn bij uitstek de leider en het aanspreekpunt van de mensen die in dat krijgsmachtsdeel hun werk doen. Juist in een tijd dat werving en behoud van personeel zo'n cruciale zorg is en op het personeel zo'n groot beroep wordt gedaan, mag de organisatie niet bureaucratischer en ondoorzichtiger worden. De hoogste baas in een krijgsmachtsdeel moet een duidelijk `gezicht' hebben.

Maar de verantwoordelijkheden van de bevelhebbers zullen in de nieuwe situatie beperkter kunnen zijn. Zij moeten primair verantwoordelijk worden voor de opleiding , de gereedstelling en de logistieke ondersteuning van de eenheden van hun krijgsmachtsdeel. De chef-defensiestaf maakt plannen voor het uitzenden van de eenheden, geeft leiding tijdens de uitzending en kan daartoe opdrachten aan de krijgsmachtsdelen geven. Als dat uitgangspunt wordt gekozen kunnen bijvoorbeeld de vier crisisbeheersingscentra die er nu zijn, in elkaar worden geschoven tot een centrum onder bevel van de chef-defensiestaf. Iets dergelijks geldt voor de operationele staven van de bevelhebbers, die geïntegreerd kunnen worden tot een operationele staf van de chef-defensiestaf. Dat alles leidt tot een werkzamere structuur en tot kostenbesparing, zonder nieuwe grote staven of vergaande reorganisaties.

J. Schaberg is generaal-majoor b.d. van de landmacht.