De woeste wetenschap

Hoe een cola-flesje het leven in een Afrikaans dorp ontwricht. Dat is te zien in de filmkomedie `The Gods Must Be Crazy' (1981) door de Zuid-Afrikaan Jamie Uys, die nog regelmatig op televisie wordt vertoond. Een passagier smijt een colaflesje uit een vliegtuig, het wordt gevonden door bosjesmannen, die het als een geschenk van de goden beschouwen. Maar al snel vliegen ze elkaar in de haren om het geheimzinnige object, dat door zijn cultstatus het weefsel van hun gemeenschap dreigt te ontrafelen.

Je kunt er, bij benadering, een idee uit opdoen hoe het de Yanomami-indianen in het Amazone-gebied moet zijn vergaan, toen de `gekke goden' hun woongebied eenmaal ontdekten. Zendelingen en wetenschappers kwamen er met bootladingen kapmessen, bijlen en buksen hun beschavingswerk verrichten. De missionarissen brachten hun het woord Gods, de wetenschappers trokken bloedmonsters, tapten urine af en nummerden hen met fluorescerende stiften. De Amerikaanse antropoloog Napoleon Chagnon maakte de Yanomami wereldberoemd als een onbedorven `woest volk' dat nog leefde volgens de macho-beginselen van het Stenen Tijdperk. Ze werden de troeteldieren van een internationale exotisme-industrie, en zijn inmiddels waarschijnlijk het meest gefilmde, gefotografeerde en geanalyseerde premoderne volk ter wereld. Sinds 1997 ook verkrijgbaar op cd-rom (Mac en Windows.95).

Alleen werd het nu een tragedie en zijn dit keer de `gekke goden' elkáár in de haren gevlogen. De Yanomami en Chagnon zijn nu al maanden het onderwerp van een controverse die als een uitslaande brand door de antropologie is geraasd, bittere vetes heeft opgerakeld en allerlei netelige vragen oproept over het vakgebied. Aanleiding is het sensationalistische boek Darkness in El Dorado van de journalist Patrick Tierney, waarover ook in deze krant is bericht. Het schildert een schokkend, ontluisterend beeld van de manier waarop Chagnon en de geneticus James Neel de indianen zouden hebben gebruikt om sociobiologische theorieën te onderzoeken die destijds sterk in de belangstelling stonden. Het optreden van Chagnon leidde volgens Tierney tot conflicten en zelfs oorlog, en hielp dodelijke ziektes verspreiden. Volgens hem waren Chagnon en Neel het échte woeste volk, dat een indianenstam creëerde naar hun masculiene wensbeeld.

De Amerikaanse vereniging van antropologen heeft, opgeschrikt door de affaire, een commissie ingesteld om de eigen ethische richtlijnen en de aantijgingen aan het adres van Chagnon nader te onderzoeken. Zaakwaarnemers van de Yanomami roepen al, onvermijdelijk, om schadevergoeding. Venezuela heeft de grenzen tijdelijk gesloten voor buitenlands onderzoek naar de indianenstammen.

Sympathisanten van Chagnon, onder wie prominenten als E.O. Wilson, roepen op hun beurt dat hij de dupe is geworden van een persoonlijke en politieke vendetta door zijn vijanden, die Tierney tegen hem hebben opgezet. Zij luiden de noodklok over de politiek correcte versmalling van de antropologie tot een vakgebied dat zich alleen nog maar wil inspannen voor mensenrechten en slappe knieën krijgt zodra het iets moet beweren dat geen schouderklopje is voor een onderdrukte subafdeling van de soort mens. Zoals Chagnons boodschap van genetisch bepaalde agressiviteit, of zijn idee dat competitie om vrouwen een motor is van inheemse oorlogvoering. Zulke ideeën zijn niet welkom in een discipline die is ingehaald door evolutionaire psychologie en genetica, en die door cultuurrelativisme en idealisering van de `nobele wilde' is verworden tot een tandeloze cartografie van menselijke diversiteit, waarin uiteindelijk maar één boosdoener opduikt: de `westerse' wetenschap zelf.

Is er een nuchtere middenpositie in al dit geweld? In de tegenstelling tussen rechtse `harde' wetenschap en linkse `anti-wetenschap' schuilt, zeker in Amerika, een kern van waarheid, maar ze wordt in deze controverse schromelijk overdreven. Ook de `relativistische' critici van Chagnon gaat het tenslotte om feiten, en ook zijn `harde' verdedigers maken gebruik van emotionele begrippen en waarde-oordelen. Dat is het beste bewijs, dat er meer overeenstemming bestaat dan de kemphanen willen toegeven.

De feiten wijzen inmiddels allang uit dat Tierney's boek rammelt, en wemelt van de halve en hele onjuistheden. De meest sensationele insinuatie – dat Chagnon en Neel een dodelijke mazelenepidemie onder de indianen zouden hebben veroorzaakt – is overtuigend weerlegd. En wat Tierney's fixatie op Chagnon betreft: één antropoloog stigmatiseren als hoofdschuldige aan het lot van de Yanomami is hoe dan ook bizar en buiten proportie. De Yanomami zijn meegezogen in een economische wervelwind, waarbij vergeleken de effecten van het veldwerk van een handjevol antropologen in het niet vallen. Ze leefden jarenlang aan een wetteloze frontier met tienduizenden goudzoekers en avonturiers, die geen sociobioloog nodig hebben om korte metten te maken met een inheemse cultuur.

Einde verhaal? Nee, want de kwestie heeft alle open zenuwen van de moderne antropologie geraakt: de ethiek van onderzoek onder inheemse volken, de slopende stammenstrijd tussen culturele antropologen en sociobiologen, de spanningen tussen westerse onderzoekers en niet-westerse nationale overheden, en de politieke gevoeligheid voor de rol van wetenschap als instrument van koloniale beheersing en exploitatie. In dat opzicht is ook de reputatie van Chagnon verder gehavend. Voorzover Tierney's kritiek terecht is, betreft die Chagnons onbekommerde en soms brute werkmethodes, zijn latere, wankele sociobiologische theorieën, en zijn associatie met dubieuze Venezolaanse politici en ondernemers. Hij lijkt nu zelf een reliek, de nazaat van een zorgelozer tijdperk toen antropologen nog metend, tekenend en schrijvend over de planeet trokken. Zijn deconfiture maakt duidelijk hoezeer de tijden zijn veranderd. Wat in de jaren vijftig misschien nog gold als dapper pionierswerk, is nu een gevoelige inmenging in andere culturen.

Sceptici die het voor Chagnon opnemen omdat wetenschap nu eenmaal `vuile handen' maakt, hebben op zichzelf gelijk. Steriele antropologie bestaat niet. Maar daar gaat het niet om. De blinde vlek van `harde' wetenschappers als Chagnon is, zoals Clifford Geertz heeft opgemerkt, dat hij de Yanomami steeds meer als een populatie ging bestuderen en niet als mensen. Dat is geen pleidooi voor antropologie met slappe knieën, maar juist een oproep westerse waarden wereldwijd in praktijk te brengen.