De onstuitbare opmars van het biologische wapen

Het protocol bij anti-biowapen verdrag uit 1972 zal zo goed als zeker niet worden getekend door de VS. Zo blijft dat verdrag slechts een verklaring van goede bedoelingen.

Nu zeker lijkt dat de regering-Bush het laatste ontwerp-protocol voor versterking van het verdrag tegen biologische wapens (BTWC) uit 1972 niet aanvaardt, staat wel vast dat dit protocol er niet voor 2002 zal komen. De bedoeling was op de komende, vijfde, toetsingsconferentie van de BTWC, komende november in Genève, overeenstemming te bereiken over de tekst. Het protocol verhoudt zich tot het biowapen-verdrag als het Kyoto-protocol tot het klimaatverdrag. Zonder protocol is het verdrag weinig meer dan een verklaring van goede bedoelingen. Het verschil met de `Kyoto-kwestie' is dat nog niet precies duidelijk is waaruit de Amerikaanse bezwaren bestaan. Ingewijden menen dat de Amerikaanse farmaceutische industrie zich verzet tegen inspecties.

De angst voor biologische wapens stamt uit de Eerste Wereldoorlog toen voor het eerst ook op grote schaal chemische wapens (strijdgassen) werden ingezet. Achteraf is gebleken dat Duitsland ook inderdaad biologische wapens heeft ingezet: men probeerde de paarden van de tegenstander met miltvuur-bacteriën (anthrax) te besmetten.

Het zogenoemde protocol van Genève van 1925, dat chemische en biologische wapens nog over één kam schoor, heeft aan de dreiging weinig veranderd. Het protocol verbood alleen het gebruik van de wapens, niet de productie en opslag. Bovendien mochten partijen een voorbehoud maken en diverse staten lieten prompt noteren dat zij niet verder gingen dan een `no first use' verklaring. Veel staten zijn in die jaren intensief onderzoek gaan doen aan biowapens, daaronder Duitsland, Groot-Brittannië en Japan. De VS gingen daartoe pas over in 1942 toen duidelijk werd dat Japan op grote schaal biologische wapens inzette in China en gruwelijke proeven deed met krijgsgevangenen. Ook Rusland bestreed de Duitsers met bacteriën (tularemie).

Veel Westerse staten hebben na 1945 hun programma voor biowapens aangehouden of uitgebreid. (Nederland niet, al wordt dit land wel af en toe opgenomen in de rij van 10 à 15 verdachte staten.) Het Amerikaanse programma concentreerde zich op miltvuur (anthrax), tularemie en het dodelijke bacteriegif botuline en omvatte verder ook plantenziekten. Het programma werd in 1969 door president Nixon beëindigd. In die jaren voerden diverse organisaties van de VN actief campagne tegen biowapens. In 1972 kwam het, op initiatief van de VS, de Sovjet-Unie en Groot-Brittannië tot een nieuw verdrag tegen biologische wapens dat in 1975 van kracht werd. Het nieuwe verdrag verbood ook de ontwikkeling, productie en opslag van de wapens en verplichtte ondertekenaars tot vernietiging van bestaande voorraden.

De grote zwakte van het verdrag, dat maar 15 artikelen kent, is dat het de verschillende `verboden' preparaten niet met name noemt (alles wat niet expliciet een vredelievende toepassing heeft, valt er onder) en vooral ook dat het niet voorziet in verificatie en inspecties. Artikel 6 zegt alleen dat men gegronde vermoedens van verdragschending kan melden bij de Veiligheidsraad en dat een verdachte staat een onderzoek van die raad moet gedogen.

Uit incidenten bleek dat de ontwikkeling van biologische wapens na 1969/1972 allerminst was beëindigd. De VS zelf zetten in Vietnam het ontbladeringsmiddel `agent orange' in. De Sovjets werden beticht van levering aan bondgenoten van gevaarlijke schimmelgiffen (trichothecenen: `yellow rain') en in 1978 is de Bulgaar Georgi Markov met het plantengif ricine gedood (`paraplumoord'). Het jaar 1980 bracht het nieuws over de anthrax-uitbraak bij Sverdlovsk, waar de Russen de bacil in het geheim produceerden. In het najaar van 1989 onthulde de Russische overloper Pasechnik het bestaan van een reusachtig Sovjet-programma voor biowapens (`Biopreparat'). Na de Golfoorlog in 1991 bleek dat ook Irak biowapens produceerde.

De derde toetsingsconferentie van de BTWC (september 1991) besloot dat nu haast moest worden gemaakt met een verificatie-systeem. Er werd een groep verificatie-experts (VEREX) bijeengebracht die in 1994 een eindrapport indiende. In hetzelfde jaar werd een `ad hoc group' (AHG) opgericht die in 1997 een `rolling text produceerde; een ruwe, nog te amenderen protocol-versie. Zó omvangrijk was die tekst dat voorzitter Tibor Tóth een eigen, hanteerbaarder versie maakte. Die versie dreigt nu door de VS verworpen te worden.

    • Karel Knip