Bush versus de rest van de wereld

Net als iedere nieuwe Amerikaanse regering moet Bush eraan wennen: behalve de VS heb je ook nog de rest van de wereld. Over bescheidenheid en leiderschap.

Het lijstje wordt steeds langer. Nu ziet het er naar uit dat de Amerikaanse regering niets voelt voor het moeizaam bevochten protocol dat naleving regelt van het verdrag tegen biologische wapens. Het zou weer een voorbeeld zijn van Amerika's groeiende neiging de wereld de rug toe te keren.

Voorbeelden genoeg de afgelopen maanden. President Bush verklaarde Kyoto (het protocol bij het klimaatverdrag van Rio) dood, kondigde de bouw van een ruimteschild aan en wierp in het voorbijgaan het ABM-verdrag in de afvalbak van de geschiedenis. Verder praten met Noord-Korea over ontwapening bleek niet meer de moeite, China werd van een `strategische partner' een `strategische concurrent' en Washington had bij nader inzien geen zin mee te doen aan het streven van de Westerse industrielanden tabaksreclame, witwassen van donkerzwart geld en belastingparadijzen aan banden te leggen.

De internationale gemeenschap voelt zich steeds meer in zijn hemd gezet. Meestal zeggen de media dat het een schande is en blijven de officiële reacties beperkt tot beleefde tegenspraak. In het geval van Kyoto was het Zweedse voorzitterschap van de Europese Unie niet op zijn mondje gevallen, maar het Amerikaanse publiek heeft dat nooit geweten.

In wezen maakt het weinig uit. In de VS is de rest van de wereld zelden onderwerp van gesprek. Alleen brandhaarden halen het nieuws. Een brandhaard is een plek waar Amerikaanse belangen op het spel staan. Die kunnen commercieel en ideologisch zijn. In beide gevallen maakt Amerika graag zelf uit hoe op te treden.

In dat opzicht wijkt de Republikeinse regering-Bush niet fundamenteel af van de voorgaande Democratische van president Clinton, en de regeringen daarvoor. Nieuwe Amerikaanse regeringen bevestigen deze vuistregel graag en de wereld schrikt er iedere keer weer van: de etiketten `isolationisme' en `unilateralisme' zijn snel gedrukt.

Omdat de Amerikaanse politiek niet denkt in termen van `wat zal de rest van de wereld er van denken?', komt niemand hier op het idee het eerste half jaar van zo'n nieuw presidentschap eens wat extra zorg te besteden aan Kofi Annan, aan Azië's gevoeligheden of aan dat Europa met zijn grote mond en zijn kleine leger.

De regering-Bush is vier maanden oud. Zij inventariseert de wereld en is nergens op prettige verrassingen gestuit. Een hoofdkenmerk van dit Witte Huis is: wij doen alles anders dan Clinton. Men verwijt de crooner uit Arkansas dat hij veel te veel met iedereen heeft gesmoesd, zonder heldere doelstellingen, laat staan resultaten. Wat Amerika én de wereld het meest nodig hebben is leiderschap. Dat verhoudt zich moeizaam tot vergaderen met 168 landen. En wachten op een resultaat.

Bush beloofde vorig najaar de buitenwacht met bescheidenheid tegemoet te zullen treden. In zijn eigen ogen doet hij dat ook. Hij belooft namelijk weinig. Dat zijn afwijzing van allerlei in moeizame samenspraak tussen landen bereikte verdragen als zodanig wordt opgevat, beseft hij niet helemaal. Hij wil de lens weer scherp stellen op Amerika's belangen en die ziet hij zelden gediend via ingewikkelde multilaterale systemen. Noch door pottenkijkers of vreemde rechters.

Clintons regering stond ook niet te juichen bij een Internationaal Strafhof. Voor Bush en de zijnen is het ronduit anathema dat Amerikaans optreden door niet-Amerikanen zou worden beoordeeld. Een wereldmacht hoeft zich dat niet te laten welgevallen. Ook dat is restoring honor and decency to the White House.

Consequent zijn ze wel. Ook het vorige week gepresenteerde energieplan van Bush en Cheney hanteert een binnenlandse probleemstelling, die alleen crisiswaarde krijgt doordat men voor de helft afhankelijk blijkt van dubieuze olie-leveranciers in het Midden-Oosten. Dat Amerikanen twee keer zo veel energie per hoofd van de bevolking gebruiken als Europeanen noch het feit dat de energie-efficiëntie van Amerikaanse auto's is teruggevallen naar het niveau van twintig jaar geleden geven geen aanleiding tot nadenken. Amerikanen hebben niets fout gedaan, wat ontbrak was slechts een energiepolitiek.

Wie hoopte dat de wereld met vereende krachten zijn best zou doen tegen 2010 minder broeikasgassen uit te stoten, ziet met lede ogen dat de helft van de nieuwe auto's in de Verenigde Staten nu SUV's, pickups, voertuigen voor de stadsguerrilla en andere benzineslurpers zijn. President Bush trapte een open deur in toen hij zei dat Kyoto dood was, zeggen zijn critici in eigen land, in het Congres wilde toch niemand het verdrag ratificeren. Het was dus onhandige presentatie, meer niet.

Kritiek in obscure blaadjes is één ding. Afgestemd worden voor de VN-commissie Mensenrechten is wel een geheel andere beproeving voor de Amerikaanse eer. Terwijl iedere eersteklas dictatuur staat te lachen. Het Huis van Afgevaardigden heeft direct teruggeslagen door weer contributie in te houden als dit complot van de rest van de wereld volgend jaar mei niet is gebroken.

Amerika is een hypermacht, de enige die resteert. Dat brengt met zich mee dat je over de knie wordt gelegd maar, zoals David Gergen (hoogleraar bestuurskunde aan Harvard en oud-medewerker van de presidenten Nixon, Reagan, Bush en Clinton) vorige week op een studieochtend in Washington zei: ,,Het zou bij de VN niet zover zijn gekomen als onze Europese partners niet het signaal hadden willen zenden dat zij een twee-richtingsverkeer eisen.''

Volgens Gergen had Reagan het bij het verkopen van de middellange afstandsraketten destijds nog makkelijker omdat Europa door meer rechtse regeringen werd bestuurd dan nu. Hij is niet de enige beroeps-waarnemer die weet dat Europa en de VS steeds nauwere handelsbanden hebben. En al schrijft een oud-Clinton-man als Anthony Blinken in het mei-juni-nummer van Foreign Affairs dat de twee continenten veel meer gemeenschappelijke waarden en belangen dan verschillen van mening hebben, het voelt niet altijd zo in de dagelijkse praktijk van een nieuwe Amerikaanse regering.