Uitgedroomd in woorden

Het probleem van de taal, daar is zo langzamerhand iedereen wel krachtig van doordrongen geraakt dankzij het postmodernistische zendingswerk van de afgelopen twintig jaar. Hoe woorden de werkelijkheid niet zijn, maar we ook niets anders dan woorden hebben om de werkelijkheid in uit te drukken, hoe dus de werkelijkheid zich uitsluitend in de taal ophoudt, of wij haar uitsluitend kennen via de taal, hoe alles dus tekst is. `Il n'y a pas de hors-texte' schreef Derrida. Dat type gedachtegang.

Ik heb het er niet zo op. Al valt niet te ontkennen dat er bepaalde moeilijkheden zijn in het verband tussen die geheimzinnige `werkelijkheid' en datgene wat we erover zeggen.

Afgelopen zaterdag waren verschillende dichters en enkele denkers bijeengekomen in Nijmegen om in proza of poëzie te reageren op een gedicht van de Australische dichter Les Murray, `Poëzie en religie'. Een gedicht dat zich steeds verder lijkt terug te trekken hoe langer je erover denkt. Er staan onder meer deze regels in: `Niets is gezegd voor het uitgedroomd werd in woorden/ en niets is waar wat alleen maar in woorden verschijnt'. Vanzelf gaat het dan toch weer over `de crisis van taal en betekenis'. Iemand citeerde Hans Faverey, die schreef: `Ik besta, dus ik lieg.// Zodra ik besta, begin ik/ te beoefenen wat zich verbergt/ doordat ik begin te spreken'.

En dat valt weer moeilijk tegen te spreken. Want het is waar: wat je zegt is nooit wat het geval is. Wat je zegt is taal, `vertaling' zou je bijna zeggen van wat aanleiding gaf tot dat spreken, en zelf geen taal is. Tegelijkertijd is waar wat Murray schrijft: `Niets is waar wat alleen maar in woorden verschijnt'. Er is meer. Al het niet-talige in ons leven moet meeklinken in een gedicht, gedichten, of andere uitspraken, die `alleen maar' woorden zijn, zijn niets.

Iemand anders zei dat Les Murray met deze twee regels het probleem van het postmodernisme had opgeheven.

Men was het oneens.

De volgende dag scheen de zon in de Ooijpolder. Bruine ganzen liepen door het hoge gras waarin hun onhandige, pluizige kuikens bijna verdwenen, in de bermen en weilanden verdrongen de boterbloemen en het fluitenkruid elkaar, meidoorns zagen eruit als gestold vuurwerk, de dijk kronkelde, het water stroomde, merels zongen, het was een weelde van lente en bloei en vreugde en Hollandse luchten en weidsheid en schoonheid en – ja, de taal schoot weer eens flink tekort. Geen woord brengt het blauw en het groen zoals het was weer tevoorschijn, wat we meemaakten was niet dat het `zo heerlijk rook', wat we meemaakten was de geur zelf, al fietsend, al één wordend met wat we zagen, voelden, roken, ondergingen we sensaties die alleen maar dáár en op dat moment bestonden.

Dat is eigenlijk helemaal niet erg. Zodra je het zegt of opschrijft, `lieg' je, zegt Faverey. Voor mijn part. Waarom zou taal ook de werkelijkheid moeten zijn? Fluitenkruid is fluitenkruid, ook al noemden we het anders, die bepaalde bloemen stonden daar toch in de berm, geloof dat nu maar, ook al lieg ik er weer op los. Taal is taal en wij zijn mensen en proberen een beetje greep op ons leven te krijgen door er zoveel mogelijk taal van te maken. Maar we weten heel goed dat er in die taal van alles niet te vinden is. Het is ook goed om dat te weten, anders sluipt er iets naïefs of onnozels in dat spreken van ons. Maar zo'n probleem is het nu ook weer niet, behalve voor filosofen en dichters.

Al fietsend door die onbeschrijflijke polder dacht ik aan wat Elsbeth Etty afgelopen vrijdag in deze krant schreef over de Nederlandse cultuur. Dat die volgens haar niet bestaat, wat volgens haar wel gebleken is omdat niemand er tot nu toe een bevredigende definitie van heeft weten te geven. Iets is alleen maar waar als het in een definitie verschijnt. Ik dacht aan hoe ik niets bevredigends wist te zeggen over die polder, maar hoe weinig die polder zich daar van aantrok. Die bleef gewoon bestaan. Een cultuur is natuurlijk geen polder, hoe Nederlands zo'n polder zich ook voordoet, een cultuur is niet aanwijsbaar, die ligt niet voor je ogen te bloeien in stralend licht. Al kun je dat best zeggen en dan kunnen mensen gaan geloven dat je haar ziet, die cultuur, bloeiend en wel. Maar dat de taal tekortschiet, dat beschrijvingen elkaar tegenspreken, dat mensen het niet eens zijn over wat het precies is waar ze over spreken als ze zeggen `Nederlandse cultuur', dat wil toch nog niet zeggen dat die cultuur er niet is. Van de woordcombinatie `Franse cultuur' schrikken de meeste mensen trouwens al veel minder. Hoor je ze niet zo gauw roepen: `die bestaat niet'.

De taal hoeft `de werkelijkheid' geen recht te doen – al moeten we ons naar vermogen alles aan `de waarheid' gelegen laten liggen. Taal is een eigen werkelijkheid, die die andere, die van het lichaam, die van het dromen en fantaseren, die van alles wat buiten ons is en woordeloos bestaat, omzet in beelden, tekens, woorden. En we geloven vaak in die woorden – er zit voor ons niets anders op. Les Murray heeft gelijk: `Niets is gezegd voor het uitgedroomd werd in woorden'.

Ach het was zo'n Hollandse zondag. Niet uit te leggen. Toch bestaan er woorden die zich dan steeds weer opdringen, is er een stem die de ervaring van dit landschap lijkt te versterken. Dat is de stem van Ida Gerhardt, de dichteres die zich het Nederlandse rivierenlandschap heeft toegeëigend door het steeds weer op te schrijven – alsof woorden als `blauw basalt' en `blinkende luchten' haar eigendom zijn, en de verschijnselen waar ze naar verwijzen ook. Het is een groot geschenk, van de taal, van de poëzie, dat de onmachtig stamelende fietser dit kan denken: `Soms waait er over mijn gekorven land/ nog rinse geur van riet en voorjaarsplant,/ en vogelen, aan de oude plek getrouw,/ dalen in zwermen op rivier en strand.'