Symfonische doodsangst

Een schreeuwerig soort van joie de vivre met gezwollen aderen in een fortissimo na bijna elk kort deeltje, kenmerkt Nicolas Nabokovs Ode onder de lange titel Méditation sur la majesté de Dieu à l'ocassion de la grande aurore boréale in 1928 gecomponeerd voor de Ballets Russes van Serge Diaghilev. Ook Alfred Schnittke schreeuwt het uit in zijn Zesde symfonie (1992), zij het eerder uit doodsangst. Het contrast bij het Residentie Orkest was schrijnend.

Grossiert Nicolas Nabokov (1903-1978), een Amerikaans componist van Russische origine en leerling van Busoni, in felle plakkaatkleuren zoals bonte schilderingen op circuswagens, Schnittke houdt het op zwart-wit en waar ook het witte is bevuild op zwart-grijs. Bij de New-Yorkse première in 1994 verliet de helft van het publiek de zaal, het blijvende deel bleef maar klappen. Je kunt er alleen maar vóór of tegen zijn, een vrijblijvende houding staat deze muziek niet toe.

Consequent werkt Schnittke met homogene klankblokken van hout, koper, hoge en lage strijkers, strikt gescheiden in vraag — en vraagspelen want antwoorden had Schnittke na een ernstige beroerte niet bij de hand. Geen moment overweegt hij zijn uitingen van radeloosheid mooier te maken of interessant in te kleuren, koloristisch slagwerk ontbreekt. Zeker het eerste deel is lood en loodzwaar, gitzwart, soms hoor je alleen maar een trillende beweging in de laagste tonen zonder enige verifieerbare klank. Te ver gaat hij bij een tweede deel waarin de strijkers in een knokige knekelmuziek hun stokken laten klepperen op de snaren, — àl te illustratief. Zeker in het eerste spannendste deel klinkt het alsof de componist in een roes de noten in één keer aan het papier heeft toevertrouwd, onhandig associatief, om pas in de laatste delen het begrip componeren in de oorspronkelijke betekenis van `samenstellen' te hanteren. Meteen ontstaat een vertrouwder spanning, minder beklemmend. Als hij `beter' componeert in een vlotter contrapunt klinkt het dus slechter. De voorheen gebruikelijke collagestijl in botsende idiomen liet hij varen. Hooguit zou je kunnen denken aan een bewust citeren van Sjostakovitsj' late stijl.

Onhandig, op weer een andere manier met veel te veel spanning binnen één enkel klein deeltje, toont zich Nabokov in zijn ballet-oratorium, door hemzelf getypeerd als `teder, lieflijk en lyrisch' maar eerder temerig en zwelgend. Het naïeve element — Nabokov bewonderde Satie — is wellicht opzettelijk. Misschien kan een slimme selectie succes hebben op een Londens promsconcert met meezingend publiek. Dirigent Polansky deed er alles aan, ondersteund door goede solisten en een gedisciplineerde Capella Russia, grotendeels zingend uit het hoofd en recht vanuit het hart, een betere zaak waard. Bij de uitvoering van Schnittke was er aan bezieling en krachtsexplosies geen gebrek, maar soms ontbrak precisie. Waar mengklanken ontbreken ligt de muziek open en bloot en treedt de minste weifeling genadeloos aan het daglicht.

Concert: Residentie Orkest o.l.v. Valery Polansky. Gehoord: 18/5 Anton Philipszaal, Den Haag.