Oorlog Zuid-Servië lijkt te eindigen

Het Albanese guerrillaleger dat in Zuid-Servië tegen het Joegoslavische leger vecht is bereid de strijd te staken. Eén radicale commandant echter weigert de wapens neer te leggen.

Het `Leger voor de Bevrijding van Preševo, Medvedja en Bujanovac' (UÇPMB) heeft sinds eind vorig jaar in Zuid-Servië gevochten voor de aansluiting van de grensgebieden bij Kosovo, omdat de plaatselijke Albanese bevolking door de Serviërs wordt onderdrukt. Het UÇPMB had min of meer vrij spel, omdat sinds het eind van de Kosovo-oorlog een vijf kilometer brede zone was ingesteld waarbinnen het Joegoslavische leger zich niet met zware wapens mocht vertonen. Sinds twee maanden wordt die zone door de NAVO echter geleidelijk opgedoekt. Op 24 mei krijgt Belgrado de controle over de laatste sector van de gedemilitariseerde zone.

De vredesmacht in Kosovo, KFOR, heeft de UÇPMB-strijders een amnestie beloofd als ze voor 24 mei de wapens neerleggen. Inmiddels hebben tweehonderd strijders zich bij KFOR gemeld. De leider van het UÇPMB, Shefqet Musliu, is eveneens bereid te strijd te staken. Alle stellingen bij Preševo zijn door het UÇPMB opgegeven.

Een belangrijke reden voor dit besluit is de slag om Oraovica, één kilometer van Preševo. Het werd vorige week door het Joegoslavische leger op het UÇPMB veroverd. Daarbij sneuvelden zeven Albanese strijders. De slag heeft het moreel van de UÇPMB-strijders ernstig aangetast.

Nog slechts één commandant wil de strijd voortzetten: Muhamet Xhemaili. Hij controleert het dorp Muhovac, 10 kilometer ten noorden van Bujanovac. Xhemaili voelt zich gesterkt door een recent succes: bij een treffen met Joegoslavische soldaten op een bergtop bij Vranje sneuvelden twee Joegoslavische militairen.