Kruisvaarder tegen `het communisme'

Europa staat bovenaan de agenda als de Hongaarse premier Viktor Orbán morgen naar Nederland komt voor een tweedaags bezoek. De onderhandelingen over toetreding tot de EU worden met de dag concreter: de kandidaat-lidstaten eisen vrije toegang tot de Europese arbeidsmarkt, de bestaande lidstaten eisen toegang tot de vruchtbare landbouwgronden van Midden-Europa. De belangen staan lijnrecht tegenover elkaar. Volgende maand hopen de kandidaten een datum te horen waarop de eerste nieuwe leden kunnen toetreden. De leiders van de kandidaat-lidstaten zitten dringend om resultaat verlegen.

Maar wat de Hongaarse premier betreft niet tot elke prijs. Viktor Orbán (38) zoekt graag de confrontatie. Een conservatief met een trotse, historische missie tegenover het Hongaarse volk. ,,Een van de meest ongewone politici van Midden-Europa, aan het hoofd van een politieke en culturele revolutie tegen alles wat met het communistische verleden te maken heeft'', zoals The New York Times hem onlangs karakteriseerde.

Orbán tekent zijn beleid met dikke strepen en gepeperde uitspraken. Zo wordt de Amerikaanse president Bush de hemel in geprezen omdat de VS eindelijk weer ,,een radicaal anti-communistische regering'' hebben. En terwijl heel Europa zich bezorgd afvraagt welke kant Italië opgaat onder Berlusconi, roept Orbán die vanuit Nederland meteen doorvliegt naar Milaan om samen met Berlusconi naar de Europacup-finale te kijken – dat Berlusconi de man van de toekomst is en Europa ,,van de nodige nieuwe energie'' kan voorzien. De overwinning van Berlusconi is voor de jeugdige Hongaarse conservatief het bewijs dat `rechts' definitief aan het terugkomen is in Europa.

Toen begin vorig jaar in Oostenrijk de partij van Jörg Haider in de regering kwam weigerde Orbán zich ook aan te sluiten bij de kritiek van Europa op Wenen. ,,Er is ook leven buiten Europa'', hield de premier de Hongaren koppig voor. Bondskanselier Schüssel bedankte Orbán dezer dagen nog eens uitgebreid voor de Hongaarse steun in ,,die moeilijke dagen''.

Viktor Orbán leidt een centrum-rechtse regeringscoalitie waarin zijn Partij van Jonge Democraten (Fidesz-MPP) de overhand heeft. De andere partijen zijn de Kleine Boeren en het Democratisch Forum. De laatste zal bij de komende verkiezingen moeite hebben om de kiesdrempel van vijf procent te halen. De Kleine Boeren zijn verwikkeld in een operetteachtige machtsstrijd die hen mogelijk definitief van het politieke toneel zal doen verdwijnen.

Orbán is dus oppermachtig binnen de coalitie en heeft sinds het begin van de regeerperiode, drie jaar geleden, de touwtjes strak in handen. Beleid wordt gemaakt vanuit een speciaal daarvoor ingerichte kanselarij van de premier en de goede naam van het land wordt streng bewaakt door het `imago-bureau' binnen die kanselarij. Dat Orbán van dikke strepen houdt werd meteen na zijn aantreden duidelijk toen hij een aantal projecten die waren opgestart onder de voorgaande, centrum-linkse regering, domweg liet stilleggen.

Symbolisch voor het Orbán-tijdperk is de gapende bouwput waar de Boedapesters al drie jaar tegenaan kijken. Hier werd begin 1998 begonnen met de bouw van een nationaal theater. Maar de conservatief Orbán vond de ideeën die zijn `communistische' voorgangers hadden niet goed genoeg en liet een paar kilometer verderop een eigen nationaal theater aanleggen dat over enkele maanden zijn glorieuze eerste voorstellingen zal brengen.

Fidesz, de partij van de premier, is van oorsprong een radicale jongerenpartij. In juni 1989 baarde de jonge Orbán enorm opzien toen hij tijdens de herbegrafenis van Imre Nagy, de leider van de opstand van 1956, vrije verkiezingen en het vertrek van de Sovjet-troepen uit Hongarije eiste. Twaalf jaar geleden waren dat moedige woorden Hongarije was toen nog een communistisch land. In 1995 besloot de leiding van Fidesz echter het imago van een radicale jongerenpartij af te werpen en een politieke plaats rechts van het midden op te zoeken. Daarna werd Fidesz onder Orbán van een liberale tot een conservatieve partij die flirt met het groeiende extreem-rechtse electoraat.

Er kwam ook steeds meer aandacht voor het nationale verleden van de Hongaren. Vooral vieringen van Hongarije's duizendjarige verleden raakten in de mode. Jaarlijks worden enorme bedragen uitgeven aan nationale herdenkingen, overgoten met enorme vuurwerken. Hoeveel geld dat kost weet niemand, want de solist Orbán houdt er niet van om zich in de boeken te laten kijken.

De Hongaarse premier heeft zijn eigen agenda en houdt überhaupt niet zo van pottenkijkers. Voor de buitenlandse pers heeft de premier in principe geen tijd. Het medialandschap in eigen land is verdeeld in vóór en tegen, in regering en oppositie, publieke media en commerciële media. Hetgeen tot zotte avonturen kan leiden. Zo verscheen onlangs in het programma `Reporter' van de Hongaarse RTL een `Russische huurmoordenaar'. Gevraagd wat het nou kost om zo'n premier als Orbán koud te maken, antwoordde de Rus: ,,Een miljoen ongeveer''. De reactie liet niet op zich wachten. De pro-Orbán pers schreeuwde moord en brand en de baas van RTL moest opstappen. Intussen groeit het vermoeden dat de Rus helemaal geen moordenaar was maar een acteur die betaald werd voor zijn opmerkingen. Opzet dus, maar van wie? De beschuldigingen vliegen over en weer en de complottheorieën zijn niet van de lucht. Wat dat betreft ligt het Hongarije van Orbán voorlopig nog midden in Midden-Europa.