Jerommeke is vader geworden

Wielrennen is niet alleen een kwestie van zo hard mogelijk fietsen. Wielrennen is vooral op momenten hard fietsen. Dat geldt voor alle specialiteiten. De klimmers gaan pas uit het zadel als de tijd er rijp voor is, de tijdrijders wachten op de tijdrit, de klassementsrenners rijden alleen voor het klassement en de sprinters kijken uit naar de laatste kilometers –sommigen zelfs naar de laatste honderd meter.

Zo een is Jeroen Blijlevens, een beroepsrenner die tot voor kort een van de snelste sprinters was. In wielerrondes als die van Frankrijk, Spanje en Italië won hij al zo'n tien etappes door zich in een pelotonsprint de snelste te tonen. Een gedrongen mannetje met een neiging tot corpulentie, dat zich als het brutaalste jongetje van de klas in de strijd om de overwinning mengde. Beroemd was zijn zogenoemde jump: op enkele centimeters van de eindstreep kon hij zijn trappers nog een extra duw geven waardoor de fiets als door een katapult weggeschoten over de streep sprong.

Veel rivalen hadden daar niet van terug. Slechts enkelen raakten niet onder de indruk van Blijlevens tactiek en techniek. Zoals de Italiaan Cipollini en de Duitser Zabel, hoewel ook zij zich weleens vergisten in die bliksemse Nederlander. Tot voor kort was Blijlevens de renner op wie de Nederlandse wielerliefhebber zijn hoop vestigde. Hoewel chauvinisten meenden dat Michael Boogerd nog weleens als eerste in het eindklassement van de Tour de France zou eindigen, gingen de realisten er vanuit dat alleen Blijlevens voor Nederlands succes kon zorgen. Zelden stelde Jerommeke hen teleur.

Niet alleen liefhebbers, maar vooral ook de veeleisende sponsor, de zorgelijke ploegleider en de trouwe ploeggenoten waren opgelucht wanneer Blijlevens een etappe winnend had afgesloten. De sponsor had immers geïnvesteerd in het sprintfenomeen Blijlevens, de ploegleider had de ploegentactiek op zijn talent ingesteld en de ploeggenoten hadden zich uit de naad gereden voor hem, zoals de hele dag de sprinter uit de wind houden, hem gerust stellen, rivalen terughalen en hun kopman in de laatste kilometer lanceren.

De druk op een winnaarstype als Blijlevens is groot. Als hij niet wint, worden sponsor, ploegleider en ploeggenoten onrustig – net als de chauvinistische pers. Een pelotonsprint winnen is niet alleen een kwestie van snelheid, maar ook van bravoure, zelfbeheersing en zelfkennis. En toch lijken illustere voorgangers als Bitossi, Esclassan, Raas, Saronni, Maertens, Bontempi, Van Poppel, Zabel, Cipollini en Blijlevens niet op elkaar.

Het mannetje uit Gilze-Rijen leek het in zich te hebben een grote sprinter te worden. Van overleven wist hij alles: als jongetje leerde hij al heel vroeg wat vechten voor je bestaan is, als wielrenner zag hij al gauw in dat er geduwd en getrokken moest worden om te winnen – als metafoor van het leven. Sinds enige jaren wint hij niet meer. De redenen: hij wilde meer dan de succesvolle sprinter van een Nederlandse ploeg zijn en vertrok naar Italië, daar waar sprinters worden gekoesterd als bambini. Maar in het buitenland was hij een vreemdeling. Nu rijdt hij, 29 jaar oud, in België, het land waar hij woont. Maar het blijft buitenland.

Blijlevens is ouder geworden. En vader. Zoals alle sprinters voor hem staat hij voor een dilemma: winnen ten koste van alles of zorgen voor zijn gezin. Veel sprinters voor hem konden zich daardoor niet meer in de strijd gooien van een massasprint. Ze zagen het gevaar van vallen, de dood, een dode vader. Ze deden nog wel mee aan de sprint, maar de hartstocht was voorbij. Ze kozen een ander leven, hopend dat de wielerliefhebbers zich voldoende hadden gelaafd aan hun overwinningen. Het zou mooi zijn als Blijlevens in de Giro nog eenmaal Jerommeke kan zijn. Nog één keer kwakken en jumpen om te bewijzen dat hij het niet verleerd is. Al is het maar ten afscheid van een echte sprinter.