Gezwinde spoed met Toestemmingswet

Wie introuwt in het Huis van Oranje-Nassau kan rekenen op de aandacht van de Staten-Generaal. Met Máxima Zorreguieta lijkt die fase al afgesloten.

Het boekje uit 1964 kan weer uit de kast komen. Titel: `Nederlandse vorstelijke huwelijken en hun problematiek', geschreven door de staatsrechtgeleerde dr. E. van Raalte. Het behandelt de twaalf Oranje-huwelijken die tot dan toe zijn gesloten onder goedkeuring van de Staten-Generaal, vanaf de verbintenis tussen de latere koning Willem II en de Russische grootvorstin Anna Paulowna in 1816 tot en met het huwelijk van prinses Juliana en prinses Bernhard in 1937.

Wie zich afvraagt waarom het parlement zich mengt in koninklijke trouwplannen, vindt het antwoord bij Van Raalte: ,,[De Staten-Generaal] dienen op te treden als schutspatronen ten behoeve van de waardigheid en de positie door het Koningschap hier te lande in te nemen.'' Van Raalte verwijst naar de eveneens eminente staatsrechtkenner Struycken die in 1917 noteerde dat het parlement ervoor moet waken dat ,,niet een onwaardige aan ons Vorstenhuis wordt verbonden''.

Het boekje verscheen in 1964 niet bij toeval. Het huwelijk van prinses Irene met de Spaanse prins Carlos Hugo van Bourbon-Parma, dat zonder parlementaire goedkeuring te Rome werd gesloten, had de gemoederen in de Nederlandse politiek en samenleving maandenlang beziggehouden. De opwinding was nog amper weggeëbd of een jaar later verscheen de Duitse diplomaat Claus von Amsberg op het toneel als de verloofde van kroonprinses Beatrix.

Eerst een katholieke prins, dan een Duitse jonkheer: het is, zoals journalist Martin van Amerongen vele jaren later zou verzuchten, ,,traditie bij de Oranjes om geabonneerd te zijn op verkeerde schoonfamilie''.

Anderhalf jaar lang, van begin september 1999 tot eind maart 2001, heeft in Nederland de discussie gewoed over opnieuw een `foute' schoonfamilie. Of, preciezer gezegd: over Jorge Zorreguieta, vader van Máxima, dienaar van de Argentijnse junta onder generaal Videla.

Diverse `schutspatronen' in de Staten-Generaal hebben zich – naar het woord van Van Raalte – uitgelaten over de klemmende vraag of de Zorreguieta-dynastie als `onwaardig' moet worden bestempeld, ver beneden de stand van het Huis van Oranje-Nassau.

Het antwoord is inmiddels omstandig gegeven, ruim voordat het voorstel tot Toestemmingswet naar het parlement is gestuurd. De formele aankondiging van de verloving van kroonprins Willem-Alexander en Máxima Zorreguita, op vrijdag 31 maart, verliep als een vlekkeloze show. In één beweging maakte politiek gemor plaats voor maatschappelijk gejuich. Waar in Den Haag doorgaans bitter weinig vertrouwelijk blijft, kon premier Kok die avond tot algemene verrassing en opluchting aankondigen dat de omstreden schoonvader Zorreguieta niet aanwezig zou zijn bij officiële feestelijkheden in Nederland. Deze gang van zaken werd een zegetocht voor premier Kok, die vooraf had gevraagd om ,,geduld en vertrouwen'' .

Het verleden van Máxima's vader hoeft, als de nu heersende rust rondom hem aanhoudt, nauwelijks nog onderwerp van debat te zijn wanneer de Staten-Generaal nog voor het zomerreces de Toestemmingswet behandelt. Het mag intussen wel opvallen dat de regering enige spoed zet achter de parlementaire behandeling. Met de huwelijksdatum van 2 februari 2002 in het vooruitzicht zou deze wet even zo goed in het najaar kunnen worden behandeld. Maar in kabinetskring valt te vernemen dat de regering geen enkel risico wil nemen. De stilte rondom het verleden van vader Zorreguieta zou ieder moment weer kunnen omslaan in nieuwe verontwaardiging in media en politiek, zodat de wet liefst zo snel mogelijk moet worden `binnengehaald'.

De snelheid waarmee een en ander wordt aangepakt, nu twee dagen na het huwelijk van prins Constantijn en Laurentien Brinkhorst, geeft bovendien voeding aan de verwachting dat premier Kok in de nazomer zijn vertrek uit de actieve binnenlandse politiek zal aankondigen. Een premier `in zijn nadagen' spreekt automatisch met minder gezag dan een politiek leider `met toekomst'. De behandeling van de Toestemmingswet voor het huwelijk van het toekomstige staatshoofd vraagt om een premier die zijn gezag volledig kan laten gelden.

Voor zover nu valt in te schatten, zal de titelatuur voor Máxima Zorreguieta het voornaamste onderwerp van debat met de StatenGeneraal zijn. Zal zij straks koningin Máxima zijn, zoals haar voorgangsters in de 19de eeuw? Of zal zij prinses Máxima blijven, zoals de 20ste eeuwse prinsen-gemaal nooit `koning' zijn geworden?

Dat de aanstaande bruid van katholieken huize is, heeft tot dusver betrekkelijk weinig tongen en pennen in beweging gebracht. Het laat zich aanzien dat dit ook niet zal gebeuren. In maart 1998, bij de behandeling van de Toestemmingswet voor prins Maurits en Marilène van den Broek, lieten slechts de SGP-afgevaardigden aantekenen dat ze om religieuze redenen zouden hebben tegengestemd als het wetsvoorstel in stemming was gebracht. (De Staten-Generaal besloten zonder stemming met het voorstel akkoord te gaan.)

SGP-woordvoerder Holdijk beriep zich bij die gelegenheid op de Tachtigjarige Oorlog, waaruit ,,een protestantse natie'' is ontstaan. Ook refereerde hij aan de ,,eeuwenoude traditie dat de kroondrager of -draagster en de troonopvolgers behoren tot de (Gereformeerde) Hervormde kerk in ons land''. De SGP oogstte geen enkele bijval in het parlement. Integendeel, Rouvoet (RPF) wees erop dat slechts één jaar, in 1814, expliciet in de Grondwet heeft gestaan dat ,,de christelijke hervormde godsdienst [die] van den Souvereinen Vorst [is]'' (artikel 133) - een bepaling die een jaar later werd geschrapt in verband met de vereniging van de noordelijke en zuidelijke Nederlanden.

VVD-leider Geertsema zei het al in 1965: ,,De tijd van de `mariage de raison' is onherroepelijk voorbij.'' Nederlandse prinsen worden verliefd zoals iedere staatsburger. Het geeft nieuw ongemak, maar ook `schutspatronen' hebben daarmee te leven.

    • Gijsbert van Es