DE POLITIEKE MACHT IS WEERBARSTIG... ...EN SENATOREN ZIJN DOL OP FILIBUSTEREN... ...DUS RENOVATIE STAATSBESTEL: VERGEET 'T MAAR

Thans herdenken wij de Nacht van Wiegel. De wát?

Dezer dagen twee jaar geleden, in de vroegzomerse nacht van 18 op 19 mei om precies te zijn, raakte het tweede paarse kabinet kortstondig in coma. Wij allen weten hoe dat is afgelopen. Sterker nog, we zijn het al weer bijna vergeten. Wie het later nog eens aan een kleinkind wil navertellen, mag samenvatten dat een kleine coalitiepartij, die D66 heette, eerst woedend wegliep uit het kabinet en twee weken later ootmoedig glimlachend terugkeerde.

Hoe aardig kan het zijn om nog eens terug te lezen wat in die dagen allemaal is opgeschreven – en niet door de minsten in het Koninkrijk. Zo noteerde de vice-president van de Raad van State in een brief aan de koningin, over het zogenoemde `lijmakkoord', dat diverse kwesties van `staatkundige vernieuwing' hoger op de politieke agenda zouden komen te staan: ,,De fractievoorzitters hebben (...) toegezegd hun bijdrage te leveren aan een spoedige realisering van hetgeen is afgesproken.''

D66 presenteerde deze beloofde versnelling als een van de voornaamste redenen om de lieve vrede in Paars-II te herstellen. Is het een wijs besluit geweest? Nee, niet wat dit betreft, bepaald niet.

Het referendum, de gekozen burgemeester, het kiesstelsel, de positie van de Eerste Kamer: het zou allemaal eens flink worden afgestoft onder druk van de Democraten, die het bij de kabinetsformatie van 1998 hadden opgebracht als `eminente punten' in de onderhandelingen. Zonder afspraken hierover zou D66, dat bij de verkiezingen van 24 naar 14 zetels was getuimeld, niet beschikbaar zijn geweest voor een tweede paarse coalitie. Dat was schrikken geweest.

Het is het droevig lot van een kleine coalitiepartner die feitelijk overbodig is voor de parlementaire meerderheid. Afspraken opschrijven is één ding. Maar idealen verzilveren – dat is van geheel andere orde. In de praktijk ontbreken machtsmiddelen om de grote, dominante coalitiepartijen tot bestuurlijke nieuwlichterij te forceren. Het enige wat D66 zou kunnen doen, is frapper toujours: intern debatteren dat de stukken eraf vliegen, zelf met concrete initatieven komen, de media bespelen. Gebeurt dat? De heersende indruk mag een andere zijn.

Tien dagen geleden, op het D66-congres in Dordrecht, vertelde partijleider Thom de Graaf ,,een eerlijk verhaal''. Namelijk: ,,Dat de vernieuwing van overheid en samenleving nog onvoldoende tot stand is gebracht. De praktijk van de politieke macht is weerbarstig.'' Waarna de D66-leider zijn congresrede besloot met drie electorale `hoofdthema's', waaronder ,,een nieuwe overheid'' – en die dan in de meest abstracte termen beschreven: ,,Ik wil dat de overheid is gestoeld op vertrouwen, samenwerking, transparantie en zeggenschap van burgers. Een rigoureuze breuk met het verleden.'' Enzovoorts.

De vage woordkeus van De Graaf valt te begrijpen. Er is weinig om trots op te zijn. Over twee stokpaardjes van D66, de gekozen burgemeester en het referendum, is in september en in januari jongstleden stevig gevochten in de coalitie. In beide gevallen stond de VVD vooraan om de voorstellen nóg dunner te maken dan ze al waren. ,,Hutspot'', zo bestempelde de GPV'er Schutte het zwaarbevochten compromis vol mitsen en maren over het aanstellen van burgemeesters die, naar het zich laat aanzien, nog lange tijd benoemd zullen blijven.

De parlementaire bespreking van het correctieve referendum zou in theorie een rituele herhaling van zetten kunnen zijn geweest. Het betrof immers hetzelfde wetsvoorstel dat al eens eerder was behandeld, totdat het in de Eerste Kamer zo dramatisch op de klippen liep. Maar nieuwe ronden, nieuwe kansen, zo dacht ook hier de VVD. Niets versnelling bij het nakomen van gemaakte afspraken, nee, opnieuw stevig knokken om het referendum zo mager mogelijk te houden.

En nog is de strijd niet gestreden. De burgemeester en het referendum rusten nu (weer) in de handen van de reflectieve dames en heren senatoren. Massa's schriftelijke vragen hebben ze over beide wetsvoorstellen gesteld, bij wijze van tijdrovende bezigheidstherapie voor de ambtenaren van minister De Vries (Binnenlandse Zaken). In Haagse jargon heet dat filibusteren, wat een mooi woord is voor spaken in wielen steken. Het is de vraag of beide wetsvoorstellen nog voor het zomerreces kunnen worden afgehandeld. Wie senator is van de VVD, of van het CDA, of van een der kleine christelijke fracties, schuift de behandeling van deze plannen liefst zo ver mogelijk voor zich uit. Komend najaar zal de verkiezingskoorts langzaam maar zeker oplopen. Dat is het juiste seizoen om weer eens wat profilerende bonje te maken rondom kwesties die in de coalitie zo gevoelig liggen.

Intussen zal er feitelijk betrekkelijk weinig gewonnen zijn als de omstreden wetsvoorstellen uiteindelijk toch door de Eerste Kamer zijn aanvaard. In beide gevallen is een grondwetswijziging nodig om de paarse compromissen werkelijk in het staatsbestel te verankeren. Het mag de vraag zijn of het daarvan ooit zal komen, met de wankele electorale positie die D66 op dit moment bekleedt en het geringe engagement dat bij de andere grote fracties leeft.

Het valt, bij zoveel aarzeling en onzekerheid, goed te begrijpen dat die andere thema's van staatkundige vernieuwing – aanpassing van het kiesstelsel en de positie van de Eerste Kamer – tot dusver zo weinig aandacht hebben gehad. Sterker nog, mogelijk zullen we hierover deze kabinetsperiode helemaal niets meer vernemen. Ex-minister Peper heeft over beide kwesties stevige notities laten verschijnen, vol bespiegelingen en varianten. Was het Peper gegeven geweest, dan had hij beide notities graag uitvoerig willen bediscussieren met de vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken. Maar de Kamer weigert de nota's te behandelen. Ze zijn simpelweg gesmoord in de besloten procedurevergadering van de commissie.

De formele reden voor het kaltstellen van deze kwesties zou zijn dat de meerderheid der fracties niet tevreden is over de kwaliteit van de Peper-nota's. Hierin zou te veel in theoretische opties en te weinig in heldere politieke keuzes worden geredeneerd. In de praktijk geldt dat de grote Kamerfracties niet meer van zins zijn deze kabinetsperiode nog iets met deze taaie onderwerpen te ondernemen. In het `land van kleine gebaren' is de werking van het staatsbestel al sinds decennia geen politiek-maatschappelijk thema meer. Vrome woorden zijn erover geschreven in de regeerakkoorden van 1994 en 1998. Over nieuwe teksten wordt al diep nagedacht – teksten die waarschijnlijk zonder D66 worden geschreven.

De Kamer debatteert deze week over gemeentelijke herindeling in de regio Den Haag.