Veel wieden en schoffelen

Op tien procent van het landbouwareaal moet binnen tien jaar biologisch worden geteeld. Maar de voordelen lijken niet zo uitgesproken als vaak wordt voorgesteld.

`Nee, de biologische landbouw komt niet voort uit de wetenschap. Het is eerder een culturele beweging. Wij onderzoeken het omdat we zijn gefascineerd door de mogelijkheden en de kracht van natuurlijke processen.'' Gerard Oomen en Aad Termorshuizen, beiden als onderzoeker verbonden aan de leerstoelgroep Biologische Bedrijfssystemen van de universiteit Wageningen, pareren de vraag ontspannen. Ze onderzoeken een landbouwmethode die zich van huis uit afzet tegen een wetenschappelijk-empirische benadering. En sterker nog: Oomen en Termorshuizen zijn, met enig voorbehoud, voorstander van de biologische landbouw. Vooral vanwege de milieuvriendelijkheid daarvan.

``Natuurlijk heeft de biologische landbouw geen wetenschappelijk fundament. Het is een taboe-beweging en taboes zijn niet met wetenschapsbeoefening te verenigen.'' Dat zegt, wat later verderop in Wageningen, Rudy Rabbinge, hoogleraar theoretische productie-ecologie. Hij vindt het gedachtengoed van de biologische landbouw hier en daar `romantisch en naïef'. ``De bewering dat biologische landbouw goed is voor gezondheid of milieu is niet waar te maken.''

De biologische landbouw heeft geleerd haar filosofie in positieve zin te karakteriseren: het is een methode die vertrouwt op natuurlijke processen en die streeft naar gesloten stofkringlopen. Liefst binnen het bedrijf, desnoods door samenwerking met naburige bedrijven. Men streeft naar terugkeer van het traditionele gemengd bedrijf, met veel kleine percelen en een ruime vruchtwisseling. Voor wat betreft de veeteelt is er aandacht voor diervriendelijke huisvesting en verzorging.

BIOLANDBOUW

De buitenstaander definieert de `biolandbouw' toch het makkelijkst in negatieve zin: geen kunstmest, geen synthetische pesticiden en geen onnodige diergeneesmiddelen. En ook en vooral geen genetische manipulatie. Het zijn onaantastbare beginselen.

Nu Europa ruim baan maakt voor de bioboer is het nuttig alvast een kleine analyse te maken van diens kansen en mogelijkheden en ook van zijn kritiek op de conventionele landbouw. Wat is er, om te beginnen, zo principieel fout aan kunstmest?

Niet zo heel veel, geeft Oomen toe, althans zolang je enigszins maat weet te houden en daaraan schort het vaak. Afgezien van de stikstofverliezen die bioboeren altijd door stikstofbindende vlinderbloemigen (klaver, bonen, luzerme) laten aanzuiveren, mogen bepaalde mineraal-tekorten in de biolandbouw ook wel degelijk door minerale mest als dolomiet of thomasslakkenmeel worden aangevuld. ``Maar je kunt het ook omdraaien: waarom zou je kunstmest gebruiken als het niet hoeft, omdat er voldoende organische mest te krijgen is?''

Wel, daar is de literatuur duidelijk over: omdat uitrijden van de zware en volumineuze mest veel energie kost en omdat de mest na dat uitrijden zonder ophouden voedingsstoffen blijft vrijmaken, ook als het gewas het niet meer opneemt. Organische mest kan grondwater en oppervlaktewater net zo makkelijk of zelfs makkelijker vervuilen dan kunstmest. En bind je je met je behoefte aan dierlijke mest niet aan een soort veeteelt die je helemaal niet wilt?

Oomen verwerpt de bezwaren. Dat hoge energieverbruik speelt geen rol, want je moet de organische mest tòch kwijt en de bereiding van kunstmest vergt ook veel fossiele energie. Met een juiste dosering zijn grond- en oppervlaktewater afdoende te beschermen. En wat de veeteelt betreft: die moet je in de eerste plast voorstellen als het houden van melkvee in een gemengd bedrijf.

Het meest gehanteerde en ogenschijnlijk sterkste argument vóór gebruik van organische mest is dat deze, mits goed gedoseerd, zoveel goed zou doen voor de `bodemvruchtbaarheid', een wijds begrip waarin, onder meer, doorluchting en het vermogen water vast te houden een rol spelen. Een goede bodemvruchtbaarheid en een hoog gehalte aan organische stof gaan min of meer hand in hand. De boer die zijn akkers uitsluitend met kunstmest bemest, zou het gehalte organische stof snel zien dalen.

``Absoluut niet waar'', zegt Rabbinge. ``Die opvatting is al lang geleden weerlegd. In 1948 nam het toenmalige Instituut voor bodemvruchtbaarheid een proef in de Noordoostpolder die tot 1978 heeft geduurd. Men vergeleek de grond van percelen die al die jaren uitsluitend kunstmest kregen met die waarbij dierlijke mest of groenbemesting (van vlinderbloemigen) werd toegepast. Het gehalte organische stof nam bij de kunstmest-percelen niet af.'' Kennelijk hielden de wortels en stoppels die werden ondergeploegd het evenwicht in stand.

SCHIMMELS

Toch wil Termorshuizen niet op voorhand uitsluiten dat dierlijke mest een gunstige rol kan spelen in de bodem. Het staat vast dat de mest van invloed is op de groei van schimmels in de bodem. Omdat al die schimmels, ook de ziekteverwekkende daaronder, au fond met elkaar concurreren is het voorkomen van ziekteverwekkend schimmels misschien te onderdrukken met een adequate mestgift. Dat is het onderzoeken waard.

Het sterkste argument tegen het taboe op kunstmest is dat de gewasopbrengst (per hectare) zonder kunstmest aan de lage kant blijft. Gemiddeld, zegt Oomen, scheelt het zo'n 20 procent, in de aardappelteelt kan het oplopen tot 50 procent. Dat verschil heeft men voor lief te nemen, wat overigens makkelijk kan als je bedenkt dat Nederland een kwart van het akkerbouwareaal gebruikt voor de productie van veevoer. Ook Rabbinge erkent dat het rijke Europa zich die luxe kan veroorloven, al ziet hij het liever anders. ``En het blijft immoreel te beweren dat de biologische landbouw de wereldbevolking kan voeden.''

AFBREEKBAAR

De bezwaren die de biologische landbouw heeft tegen synthetische bestrijdingsmiddelen zijn begrijpelijk. Hoe mooi afbreekbaar de moderne middelen vaak ook zijn: over de lange termijn-effecten van residuen in het milieu bestaat onzekerheid en voortdurend is er de kans op een te hoog residu op het voedsel (door onachtzaam handelen van de boer).

De biologische landbouw hanteert een breed scala aan verdedigingsmiddelen tegen ziekten en plagen: resistente rassen, kleine percelen met een grote afwisseling van gewassen, insecticiden op basis van plantenextracten, feromonen (lokstoffen) en een bejubeld legioen aan sluipwespen, roofmijten, lieveheersbeestjes, steriele mannetjes en zelfs koolmeesjes. De groei van onkruid wordt voorkomen of bestreden met `mulching', een bodembedekking met plantenresten, en verder met veel wieden en schoffelen.

En werkelijk lijkt de biolandbouw daarmee de ernstigste ziekten en plagen de baas te blijven. Maar critici noemen het een schijnsucces: de biologische landbouw dankt het goede resultaat aan het overvloedige spuiten bij de conventionele bedrijven in de omgeving. Die houden de infectiedruk laag. Dat beeld kan dramatisch veranderen als het areaal biolandbouw veel groter wordt dan nu.

Termorshuizen geeft toe dat lang niet alle plagen, mochten ze zich voordoen, langs `biologische weg' zijn aan te pakken. Tegen een schimmel als Phytophtora (aardappelziekte) kan de bioboer weinig anders ondernemen dan aangetaste planten zo snel mogelijk verbranden. En wordt zijn graangewas door roest (een andere schimmel) getroffen, dan is er geen redden meer aan. Maar een drama als de Ierse hongersnood die rond 1845 ontstond toen de gehele aardappeloogst ten prooi viel aan Phytophtora zal zich niet herhalen. Tegenwoordig is het voedingspatroon immers veel gevarieerder.

Maar de critici (zie onder meer Nature, 22 maart 2001) hebben meer pijlen op hun boog. De bioboeren zien te gemakelijk over het hoofd, zeggen zij, dat hùn preparaten ook zeer gevaarlijk kunnen zijn. Het kopersulfaat (zie kader) dat zij tegen schimmels gebruiken is acuut giftig. Het middel `rotenon' wordt in verband gebracht met de ziekte van Parkinson. En het veel gebruikte preparaat van de bacterie Bacillus thuringiensis bleek longinfecties bij muizen op te wekken. En verder, zeggen de tegenstanders van de biolandbouw met enige gretigheid, vergroot de bioboer met het afwijzen van goede synthetische fungiciden (schimmelwerende middelen) de kans dat de consument wordt getroffen door mycotoxinen, vergiffen die de schimmels zelf kunnen achterlaten op groente en fruit. Sommige daarvan zijn zeer gevaarlijk.

``Vooralsnog is dat niet aangetoond'', zegt Termorshuizen. En gezegd moet worden dat het rapport `Voedselveiligheid van producten uit de biologische landbouw' dat in maart onder auspiciën van het ministerie van landbouw werd uitgebracht de vrees niet bevestigde, al vond men het de moeite waard nader onderzoek te doen.

Wel toont het rapport zich, hoe vreemd het ook klinkt, uitgesproken kritisch ten aanzien van de derde pijler van de biologische landbouw: de diervriendelijke huisvesting, het `scharrelen met uitloop'. Het gevaar komt van de `uitloop', de gang naar buiten. Daarbij kunnen kippen, varkens en kalveren allerhande infecties oplopen die de bioboer met zijn bescheiden middelen niet kan bestrijden: Salmonella, Campylobacter en diverse lintwormen. De biologische landbouw heeft daartegen tot op heden geen ander verweer gevoerd dan dat dit nog slechts vermoedens zijn en dat het (vermeende) bezwaar wordt gecompenseerd door het aantoonbaar lagere gehalte aan hormonen, antibiotica en dergelijke in biovlees.

De conclusie ligt dus voor de hand dat de voordelen van biologische landbouw minder uitgesproken zijn dan het wel wordt voorgesteld. En dat het misschien ook aantrekkelijk is met meer energie de nadelen van de conventionele landbouw weg te nemen. Dat is ook zoals Oomen en Termorshuizen het zien. ``We moeten ophouden de twee soorten landbouw tegenover elkaar te plaatsen. Als de biologische landbouw bereid was, zoals ze nu al doet met kunstmest, beperkt gebruik van synthetische pesticiden toe te staan, en als de conventionele landbouw dat gebruik verder aan banden legt, dan zouden de twee soorten landbouw naar elkaar kunnen toegroeien. Want goedbeschouwd is het verschil tussen de biologische en conventionele landbouw hier kleiner dan tussen de conventionele landbouw van Nederland en die van een land als India. Wat daar aan pesticide over het gewas gaat tart elke beschrijving.''