Vd Ploeg wil verkleining cultuurraad

Staatssecretaris Van der Ploeg (Cultuur) wil het aantal raadsleden van de Raad voor Cultuur terugbrengen van 25 naar 14. Het aantal commissieleden moet juist omhoog van 35 naar 60.

De herstructurering van de Raad voor Cultuur, het adviesorgaan van de regering, is een van de zes maatregelen die Van der Ploeg bepleit in een brief aan de Tweede Kamer. In die brief beschijft hij zijn voornemens voor verbetering van de Cultuurnotaprocedure, het systeem van vierjaarlijkse subsidiëring van culturele instellingen.

Wijziging van het aantal raads- en commissieleden van de Raad voor Cultuur is volgens Van der Ploeg nodig om ,,effectiever'' en ,,met meer gezag ten opzichte van het culturele veld en de politiek'' te kunnen adviseren. Raadsleden, ook wel aangeduid als kroonleden, krijgen in de nieuwe opzet een meer coördinerende rol. Zij moeten vooral zorgen voor integrale samenhang van alle adviezen. Met minder raadsleden zal die samenhang worden vergroot, meent Van der Ploeg. Het verhoogde aantal commissieleden moet zorgen voor nog meer deskundigheid ten aanzien van een bepaalde discipline.

Verder wil Van der Ploeg een grotere rol voor de Uitgangspuntenbrief, waarin de bewindspersoon voor Cultuur zijn of haar prioriteiten vastlegt. In de praktijk is het cultuurdebat al verschoven van Cultuurnota naar Uitgangspuntenbrief, maar Van der Ploeg wil dit in de wet laten vastleggen. De nota krijgt hiermee niet meer dan een `uitvoeringskarakter', het debat in de Tweede Kamer gaat dan over hoofdlijnen (in de brief: `hoofdpijnen') van het cultuurbeleid ,,waarin slechts bij hoge uitzondering plaats is voor individuele instellingen of incidenten''. In interviews heeft Van der Ploeg aangegeven dat hij zich bij het debat over de Cultuurnota heeft geërgerd aan de inzet van Kamerleden voor bepaalde instellingen, zoals Toneelgroep De Appel.

Andere wijzigingen die Van der Ploeg wil doorvoeren zijn betere spreiding van de werkzaamheden door de tijd, differentiatie in de advisering tussen kleine en grote instellingen, betere scheiding tussen advisering en besluitvorming en betere afstemming met provincies en gemeenten.