Puzzelen met lijfrentepolis

Door de nieuwe inkomstenbelasting moeten lijfrenteverzekeringen, die gesloten zijn voor 1 januari 2001 en waarvoor nog premies moeten worden betaald, aangepast worden. Zo'n aanpassing kan veel geld kosten. Stichting Lijf-Behoud verzamelt klachten. Verzekeraars gaan in de tegenaanval.

Wie voor 1 januari 2001 een lijfrenteverzekering (koopsompolis) heeft gesloten en daarvoor nog iedere maand of ieder jaar een bepaalde premie zal betalen, moet de verzekering aan laten passen. Binnen zo'n verzekering wordt kapitaal bijeen vergaard dat in de toekomst omgezet moet worden in lijfrente-uitkeringen; dat zijn uitkeringen die een verzekeraar doet mits en zolang een bepaald lijf leeft. Wie het lijf moet zijn, waarvan de uitkeringen afhankelijk worden, wanneer de lijfrente-uitkeringen (uiterlijk) in moeten gaan en nog wat voorwaarden staan precies in de Inkomstenbelastingwet omschreven. Voldoet de polis niet aan die voorwaarden dan is de premie niet aftrekbaar. De nieuwe voorwaarden zijn iets strenger dan voor verzekeringen, die gesloten zijn tussen 1992 en 2001. In vergelijking met de lijfrenteverzekeringen van voor 1992 zijn de toegestane lijfrentevormen uiterst beperkt. Wie de premie voor een lopende lijfrenteverzekering voor de inkomstenbelasting aftrekbaar wil houden moet dus zijn polis naar die nieuwe voorwaarden aan laten passen. Op zijn minst voor het lijfrentekapitaal dat gevormd wordt met de premies, die betaald worden vanaf 2001. De verzekering wordt dan in tweeën geknipt: een deel van voor 2001 en een deel daarna. Als een verzekeraar volgens de standaardprocedure zo'n `knip' aanbrengt bestaat de kans dat er verzekerd kapitaal verloren gaat. Dan wordt er als het ware een deel van de verzekering premievrij gemaakt en vanaf 2001 een nieuwe polis opgestart; met alle kosten die voor een nieuwe verzekering gelden. En dat is onlogisch. De consument kan bijvoorbeeld ooit een contract hebben gesloten met de afspraak dat er tegen een jaarpremie van 2.000 gulden in de toekomst een lijfrentekapitaal zal zijn verzekerd. Dat er nu – door de wijziging in de belastingwetgeving – geregeld moet worden dat er uit het ene deel van het lijfrentekapitaal te zijner tijd wat andere vormen van lijfrenten moeten gaan komen dan uit het andere deel verandert niets aan de basisafspraak waarbij de verzekeraar lijfrentekapitaal verzekert en de klant die 2.000 gulden blijft betalen.

Als de premie lager moet worden (bijvoorbeeld van ruim 6.000 naar 2.283 gulden, omdat er niet meer aftrekbaar blijkt te zijn) dan is het verklaarbaar dat de verzekeraar in de toekomst minder lijfrentekapitaal beschikbaar zal stellen dan wanneer zijn klant verder zou zijn gegaan met een inleg van 6.000 gulden per jaar. Maar er moet dan wel een logische verhouding zijn tussen de verlaging van de premie en het verlaagde lijfrentekapitaal. Ook hierbij geldt weer: wanneer de standaardprocedure van veel verzekeraars gevolgd wordt dan verlaagt het lijfrentekapitaal relatief meer dan op basis van de verlaging van de premie verwacht mag worden. De uitleg is dan dat de klant een deel van zijn verzekering afkoopt en dat daarvoor de normale afkoopregels worden gehanteerd.

Verzekeraars zijn nog bezig om te bezien hoe zij op deze situatie moeten reageren. Daarbij worden zij wel geconfronteerd met assurantieadviseurs die het blijkbaar te moeilijk vinden om hun klanten te begeleiden in het aanpassen van lopende verzekeringen. Het gevolg: er zijn adviseurs die aan de verzekeraars vragen om alle via hen lopende lijfrenteverzekeringen maar premievrij te maken. Sluiten ze vervolgens een nieuwe verzekering dan gaat voor hen de provisiekraan opnieuw open; en dat ten laste van de consument.

Het Verbond van Verzekeraars heeft de verzekeringsmaatschappijen aangeraden om de verzekeringnemers, voor wie een verzekering wordt aangepast, te laten tekenen voordat de wijziging wordt doorgevoerd. De consument doet er echter goed aan niet eerder te tekenen voordat de consequenties volledig helder op het netvlies staan.

Soms lijken verzekeringen niet te hoeven worden aangepast. Bestond de verzekering al op 14 september 1999 dan geldt een overgangsmaatregel. Stel dat u een verzekering heeft tegen een premie van 6.000 gulden per jaar en u mag maar 2.283 gulden aan lijfrentepremie aftrekken en 3.717 gulden is niet aftrekbaar. Dan kan de opbouw van het lijfrentekapitaal formeel ongewijzigd worden voortgezet. Later – als het lijfrentekapitaal beschikbaar komt – mag u er tijdelijk uitkeringen uit ontvangen zonder dat u er belasting over hoeft te betalen. Die onbelastbaarheid blijft zo totdat het bedrag van de uitkeringen gelijk is aan het bedrag aan premies dat niet aftrekbaar was. De premie, die niet aftrekbaar kan worden gesteld, is gemaximeerd op 5.000 gulden per polis per jaar.

De wetgever heeft deze regel bedacht omdat er anders een moeilijke situatie zou ontstaan. Zonder deze regel zou – als u de premie van 6.000 gulden wel zou willen doorbetalen en maar 2.283 gulden af zou kunnen trekken – ieder jaar bepaald moeten worden welk deel van de premie zou leiden tot lijfrentekapitaal met te zijner tijd te belasten uitkeringen in Box 1 en welk deel van de premie voor vermogen zou zorgen dat mee zou tellen voor de vermogensrendementsheffing van Box 3. Door de overgangsmaatregel hoeft dat niet. Het lijkt een praktische oplossing, maar het is er wel eentje waarbij de verzekeringnemer – vele – jaren verdraaid goed op zijn hoede moet blijven. Als het lijfrentekapitaal te zijner tijd wordt omgezet in uitkeringen gaat de Belastingdienst er standaard van uit dat alle uitkeringen belast moeten worden. Om te profiteren van onbelaste uitkeringen zal iemand bij de Belastingdienst aan moeten kunnen tonen welk deel van de premie wel en niet aftrekbaar is geweest. De verzekeringsmaatschappij houdt dit niet bij; die biedt een bepaalde dekking tegen de (totaal) ontvangen premie. Wellicht de adviseur. Maar die kan het zicht er op gemakkelijk verliezen. Zeker als de klant ook nog via anderen dan die betreffende adviseur koopsompolissen heeft gesloten. En als de consument zich bij het omzetten van het lijfrentekapitaal in uitkeringen door een andere adviseur bij laat staan wordt de kans op brokken (wel belasting betalen over uitkeringen waarvoor geen premieaftrek is genoten) groter. De beste oplossing blijft in dat geval te kiezen voor verlaging van de premie en hopen dat de verzekeraar met de verlaging van het kapitaal `coulant' om gaat.