Politievraagbaak

VRAGEN STAAT VRIJ, ook voor de politie. Deze kan echter niet automatisch rekenen op een antwoord, zelfs niet als het gaat om de eenvoudige vraag aan een verdachte persoon naar zijn of haar naam. Deze is niet tot antwoorden verplicht. Het strafrecht is van oudsher terughoudend met het in het leven roepen van directe antwoordverplichtingen. Dit soort finesses vormt volgens een bekend gezegde de graadmeter van een beschaafde samenleving.

Langs deze maatlat gelegd is de Commissie-Mevis niet ver gekomen. Zij bepleit een algemeen recht van de politie om personalia, inclusief klantnummers, op te eisen bij de bank, de supermarkt of de internetprovider. Niet alleen van personen die verdacht worden van enig strafbaar feit (dat zijn er trouwens meer dan men wellicht denkt) maar ook van derden die bij een strafzaak zijn betrokken. Voor nadere details, inclusief toekomstige gegevens, kan de officier van justitie worden ingeschakeld en voor de meest gevoelige gegevens de rechter-commissaris.

Minister Korthals (Justitie) heeft wel oren naar dit voorstel, zo bleek deze week bij de presentatie. Hij heeft echter reden daar nog eens driedubbel over na te denken. Een belangrijke argument voor de commissie is dat de politie nu al vaak op vrijwillige basis gegevens krijgt van banken, providers, etcetera, omdat de bestaande regels onduidelijk zijn. Dat is echter eerder een reden deze regels te preciseren en te handhaven dan om ze overboord te zetten.

DE COMMISSIE GAAT ook wel heel ver door zelfs de bescherming van gevoelige gegevens opzij te schuiven. Het beroepsgeheim van de arts of advocaat wordt weliswaar erkend, maar medische gegevens, seksuele details of criminele informatie zijn ook bij andere bronnen te bekomen, bijvoorbeeld door verschillende gegevens over een persoon te combineren. Dat wordt in de plannen van de commissie uitdrukkelijk toegestaan. En toestaan betekent in het informatietijdperk: maximaal benutten.

Het is wel duidelijk wat de grote drijfveer is van het commissievoorstel: het oprukken van de moderne elektronica. Uitgangspunt van het wetgevingsbeleid voor de elektronische snelweg is echter dat wat `off line' geldt ook `on line' de norm moet zijn. De commissie keert dit om door te pleiten voor een doorbraak van juridische beginselen waarover men in de gewone wereld niet zou piekeren. Het gaat hier niet meer om de individuele rechercheur die bij iemand aanklopt voor een inlichting. In het internettijdperk is de formule-Mevis het recept voor volautomatische informatie-uitwisseling op ongekende schaal.

Niet de laatste vraag betreft de effecten van dit recept op het vertrouwen van de nieuwe e-consument. Zal deze het werkelijk op prijs stellen dat de informatie van bonuskaart of zorgpas achter zijn of haar rug om naar believen ter beschikking staat van politie en justitie? De ministers Jorritsma (Economische zaken) en Van Boxtel (Grotesteden- en Integratiebeleid) die zich inspannen voor de elektronische snelweg, moeten nog maar eens een hartig woordje spreken met hun collega van Justitie.