Paars is niet de wet der dingen

Christelijke partijen wordt door liberalen verweten intolerant te zijn omdat zij, op grond van hun levensovertuiging, het homohuwelijk en de euthanasiewet afwijzen. Maar ook de liberale humaniteitskerk duldt geen andere dan de eigen leer naast zich. Daarmee geven de `toleranten' op hun beurt aan intolerant te zijn, meent B.J. van der Vlies.

Wat zit VVD-fractievoorzitter Dijkstal dwars? En waar ergert zijn D66-collega De Graaf zich toch aan? Dat de liberale heren ergens geraakt zijn, blijkt overduidelijk uit de venijnige uitvallen die ze de afgelopen week deden op de christelijke politieke partijen. Op hoge toon kreeg ik en kregen mijn collega's van CDA en ChristenUnie te horen dat we onverdraagzaam en hypocriet zijn. Harde woorden in de paarse polder.

Afgaande op de tekst van wat mijn (neo)liberale ambtgenoten te berde brachten, zit hún pijn in míjn onverdraagzaamheid. Ze verdenken mij ervan dat ik geen respect heb voor hún opvattingen. En wat ze misschien nog wel het meest steekt, is – naar de woorden van Dijkstal – dat de christelijke partijen ervan uitgaan dat de ethiek alleen bij hen in goede handen is, dat christenen pretenderen als enigen recht van spreken te hebben in zaken van goed en kwaad. Dat leidt hij af uit de beladen debatten over het `homohuwelijk' en de euthanasiewet.

Het is geen nieuwe discussie. Ik loop al een paar jaartjes mee in politiek Den Haag en herinner me nog levendig hoe PvdA-fractievoorzitter Den Uyl veel commotie veroorzaakte door in 1986 rond Pasen een soortgelijk offensief te openen op `de christenen'. In een geruchtmakend interview voor de IKON-radio schoot de sociaal-democraat met scherp toen hij opmerkte dat christenen zich beter voelen dan niet-christenen. Den Uyl bespeurde die `arrogantie' in vrijwel alle geloofsuitingen, vrijzinnig en orthodox. Het zich tot de betere helft van de samenleving rekenen, het aanmatigende van het christendom, dat ergerde de ex-gereformeerde PvdA'er mateloos.

Diezelfde ergernis bespeur ik nu bij Dijkstal en De Graaf. Tijdens het debat over het `homohuwelijk' kwam dat er ook een beetje uit toen Dittrich (D66) mijn fractiegenoot Van der Staaij voor de voeten wierp neer te kijken op anderen. Terecht pareerde mijn jongere compaan deze aanval met de opmerking dat Dittrich standpunten verwarde met personen. ,,Wij willen onze overtuiging helder blijven vertolken zonder daarmee in persoon op wie dan ook neer te zien. Daar hebben wij geen enkele behoefte aan en geen enkele reden voor.'' Ik wijs in dit verband naar het vaak geciteerde bijbelwoord: ,,door ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf'' (Filippenzen 2:3). Beter kan ik het niet zeggen. Er is geen sprake van dat ik mijzelf zelfs maar iets wens te verheffen boven de ander. Vanuit die houding heb ik respect voor en ben ik begaan met ieder medemens. Dat is een voluit bijbelse notie waar ik voor de volle honderd procent aan vasthoud.

Maar dit is níet mijn héle verhaal. Ik maak namelijk uitdrukkelijk onderscheid tussen personen en opvattingen. En dan wil en moet ik ook eerlijk zijn. Gaat het om opvattingen over de inrichting van de samenleving, dan ga ik inderdaad uit van de universele betekenis van de christelijke normen en waarden. Dat heeft uit de aard der zaak alles te maken met het uitgangspunt van waaruit ik politiek bedrijf. Dat is de bijbel, Gods Woord. Daarin staat wat goed en wat slecht is. Niet als een wetboek of naslagwerk, maar als leefregel en wegwijzer voor ieder mens persoonlijk en voor de samenleving als geheel. De bijbel zelf zegt het zo mooi: ,,Vreest God, houdt Zijn geboden, want dat betaamt alle mensen'' (Prediker 12:13).

Vanuit deze vaste overtuiging en aan de hand van deze leidraad probeer ik als parlementariër mijn werk te doen. Ik ontkom er dan ook niet aan om oordelen te vellen over wetten en besluiten die mij worden voorgelegd. En dan moet ik constateren dat ik in mijn oordeel in het afgelopen jaar soms erg scherp heb moeten zijn. De meest pregnante voorbeelden zijn al genoemd: het `homohuwelijk' en de euthanasiewet. Ik heb die hartgrondig bestreden, omdat ik er om bijbelse redenen én op grond van overwegingen ontleend aan niet-principiële motieven, diep van overtuigd ben dat deze wetten slecht zijn. Daarom kan ik – ik zeg het met spijt – voor deze paarse producten zelfs geen respect opbrengen, omdat in dat begrip altijd nog iets zit van waardering. Ik heb dat niet, en wil het niet veinzen ook.

Ben ik daarom onverdraagzaam of intolerant? Dijkstal zegt het, en De Graaf zegt het hem na. Ik heb er eerlijk gezegd niet eens zo veel moeite mee om ze tot op bepaalde hoogte gelijk te geven. Tot op bepaalde hoogte. Laat ik, om dat aan te tonen, de zaak eens omdraaien. Niet te ontkennen valt dat in de paarse polder veel ideologische scheidslijnen zijn vervaagd, maar dat wil allerminst zeggen dat de VVD en D66 beginselloze bleekneusjes zijn. Mijn stelling is dat ook Dijkstal en De Graaf politiek bedrijven vanuit beginselen – liberale beginselen, waaruit ze ideeën en gedachten afleiden over de inrichting van de Nederlandse samenleving. Dat daar, net als bij mij, een levensovertuiging aan ten grondslag ligt, zullen ook zij niet kunnen en willen ontkennen. Ook zij hebben opvattingen over goed en kwaad, ontleend aan hun eigen (liberale) mens- en wereldbeeld.

Wat het afgelopen jaar in politiek Den Haag zichtbaar was en in toenemende mate zichtbaar wordt, is de frontale botsing van die beginselen. Als ik ze probeer te herleiden tot de kern, dan staan in Nederland anno Domini 2001 diametraal tegenover elkaar degenen die uitgaan van Gods soevereiniteit en degenen die de mens tot norm van goed en kwaad verheffen. Die twee uitgangspunten sluiten elkaar uit, en zijn dus onverzoenlijk. Het is het een of het ander. Zoals ik al betoogde is dit geen breuk die nu voor het eerst aanstoot geeft. Wel is het een feit dat die oude tegenstelling zich onder dit (tweede) paarse kabinet enorm heeft toegespitst. De wetsvoorstellen die ik noemde – er zijn meer te noemen – hebben die kloof schrikbarend zichtbaar gemaakt.

Waar loopt dit op uit? Uit de opmerkingen van Dijkstal en De Graaf blijkt dat de pijn diep zit. Erg diep. En dat is begrijpelijk. Net als bij mij raken de huidige gedachtewisselingen en tegenstellingen de kern van hun geloof – ook al noemen zij dat anders. Treffend was in dit verband het commentaar in deze krant van vorige week donderdag over imams en homo's. Na `gepredikt' te hebben dat op dit punt de leer van moslims en christenen discriminatoir, en dus verwerpelijk is, en dus bestreden dient te worden, eindigde de commentator letterlijk met een overtuigd en stellig: `Amen'. Hier wordt een modern, seculier geloof beleden.

Dit jaar is het exact 200 jaar geleden dat de grondlegger van de christelijke politiek in Nederland werd geboren, mr. Guillaume Groen van Prinsterer. Als geen ander in onze staatkundige geschiedenis had hij de gave de onderliggende lagen bloot te leggen van de discussies en gebeurtenissen van zijn dagen. Hij onderkende de diepere beginselen en trok van daaruit lijnen naar de toekomst. Groen ontmaskerde op die manier degenen die zich voordeden als neutraal, verdraagzaam en tolerant. Hij onderscheidde uiteindelijk een allesbeheersende tegenstelling, die tussen christelijk geloof en ongeloof, lees: ander geloof. Zijn centrale stelling was: als de wortels van de christelijke samenleving worden doorgesneden, komt ruimte voor een andere officiële religie – de godsdienst van de humaniteitskerk. Ook die kerk duldt, als het erop aankomt vroeger of later, geen andere leer naast zich dan de eigen leer.

Tekenen de contouren van deze nieuwe staatsgodsdienst zich af? Uit wat ik tot nu toe betoogde, laat zich al wat van mijn antwoord afleiden. Ja dus. Een teken aan de wand vind ik de discussies die er al zijn geweest over de positie van degenen die niet mee willen werken aan handelingen die zij in strijd achten met hun christelijke levensovertuiging. Plaatselijk is hier en daar al duidelijk gesteld dat wie niet mee wil werken aan een `homohuwelijk', daartoe gedwongen moet worden. Zo niet, dan moeten betrokkenen maar ontslag nemen, of desnoods krijgen. Wat je ook van deze opstelling vindt, niet te ontkennen valt dat dit de uiterste consequentie kan zijn van de strikt doorgeredeneerde leer van de humaniteitskerk waar liberalen à la Dijkstal en De Graaf lidmaat van zijn. Ziehier de intolerantie van de toleranten.

B.J. van der Vlies is lid van de Tweede Kamer waar hij voorzitter is van de SGP-fractie.